Tag archief Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP)

door100% Salarisverwerking B.V.

CAP Levensloopregeling 2021 over vragen en antwoorden

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen heeft 2 nieuwe vragen en antwoorden gepubliceerd over het overgangsrecht van de levensloopregeling.
   
Daarnaast zijn 2 vragen en antwoorden over loonstamrecht en pensioen aangepast.

U vindt antwoord op de volgende 2 vragen over de levensloopregeling:

  • Heeft de wijziging van het overgangsrecht voor levensloopregelingen, ook gevolgen voor eerder gemaakte afspraken over het opnemen van het levensloopverlof in november en december 2021?
  • Wat zijn de gevolgen van het beëindigen van het overgangsrecht voor levensloopregelingen voor de mogelijkheid van pensioenopbouw tijdens levensloopverlof?

De volgende vragen en antwoorden zijn aangepast:

  • Of en in hoeverre mogen de termijnen uit een loonstamrecht in hoogte variëren?
  • Kan het pensioenfonds binnen de kaders van de fiscale wet- en regelgeving de in de afgelopen jaren achterwege gelaten indexatie op een later moment alsnog toekennen?

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst beantwoordt regelmatig vragen over de fiscale behandeling van pensioenen, oudedagsverplichtingen, regelingen voor vervroegde uittreding, loonstamrechten en levensloopregelingen.

 

Nieuwe V&A 21-002 en V&A 21-004 gepubliceerd. V&A 08-020 en V&A 16-001 aangepast. V&A 20-010 vervallen

 
Bron: centraalaanspreekpuntpensioenen.belastingdienst.nl
 
 

Gerelateerd

Handreiking voor de interpretatie van het begrip “Regeling voor vervroegde uittreding” als bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964
Update vragen en antwoorden pensioensite Belastingdienst
Vragen en antwoorden pensioensite Belastingdienst nieuwe versie
V&A’s en handreikingen op pensioensite aangepast of vervallen
 
 
 
Nieuwsbrief Loonheffingen 2021Uitgave 3-28 januari 2021, loonheffing, aangifte,

door100% Salarisverwerking B.V.

Handreiking begrip RVU geactualiseerd

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen heeft de handreiking over de regeling vervroegd uittreden ( RVU ) geactualiseerd.
       
In de handreiking is de informatie over de drempelvrijstelling RVU-heffing toegevoegd. Deze vrijstelling geldt voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025.

U vindt de aanvulling in onderdeel 5 van de ‘Handreiking voor de interpretatie van het begrip “Regeling voor vervroegde uittreding” als bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 ’.
 

Vermelding RVU-Heffing


 

5. Tijdelijke drempelvrijstelling RVU-heffing

Als onderdeel van het op 5 juni 2019 door kabinet, werknemers- en werkgeversorganisaties gesloten principeakkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel, is voor RVU’s tijdelijk een drempelvrijstelling ingevoerd. Voor zover de betalingen in het kader van de RVU onder het bedrag van de drempelvrijstelling blijven, is geen RVU-heffing verschuldigd.

De voorwaarden voor de RVU-drempelvrijstelling zijn als volgt:

  • De RVU uitkering vindt plaats in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025;
  • Voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2028 geldt een uitloopperiode. Gedurende deze periode kan de drempelvrijstelling worden toegepast, mits de beëindigingsovereenkomst uiterlijk 31 december 2025 getekend is en de werknemer uiterlijk op 31 december 2025 de leeftijd heeft bereikt die (maximaal) 36 maanden vóór de AOW-leeftijd ligt;
  • De drempelvrijstelling geldt zowel voor een uitkering ineens, als voor periodieke uitkeringen ingevolge een RVU;
  • De drempelvrijstelling is enkel van toepassing op uitkeringen uit een RVU die plaatsvinden in de periode vanaf 36 maanden voorafgaande aan de AOW-leeftijd van een werknemer;
  • De drempelvrijstelling is maximaal het in artikel 32ba, zevende lid, Wet LB genoemde bedrag en wordt berekend per maand, aan de hand van het aantal maanden vanaf de (eerste) uitkering tot aan het bereiken van de AOW-leeftijd van de werknemer, met een maximum van 36 maanden. Vindt de (eerste) uitkering dus plaats op een moment dat gelegen is op minder dan 36 maanden vóór de AOW-leeftijd in, dan geldt de vrijstelling alleen nog voor de resterende maanden. Bovendien wordt een gedeelte van een maand naar boven afgerond;
  • Bedraagt een vergoeding ingevolge een RVU meer dan het bedrag van de drempelvrijstelling, dan is over het meerdere de RVU-heffing verschuldigd.

Wordt aan bovenstaande voorwaarde voor wat betreft de 36-maandsperiode voor de AOW-leeftijd niet voldaan, dan is de RVU-drempelvrijstelling niet van toepassing en is RVU-heffing verschuldigd over de volledige uitkering.

 
 
Bron: Centraal Aanspreekpunt Pensioenen
 
 
pensioenregeling , pensioen, pensioenfonds, pensioenaanbieder , nabestaandenpensioen, pensioenpotje, aow, oudedag voorziening, sparen voor later,

door100% Salarisverwerking B.V.

Handreiking voor de interpretatie van het begrip “Regeling voor vervroegde uittreding” als bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964

Op 22 juni 2018 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het bij de beoordeling of een regeling een regeling voor vervroegde uittreding (hierna: RVU) is, als bedoeld in artikel 32ba van de Wet LB, gaat om de objectieve voorwaarden en kenmerken van de regeling. In het arrest (ECLI:NL:HR:2018:958) schetst de Hoge Raad een kader aan de hand waarvan de RVU-toets voor elke soort vertrekregeling kan worden uitgevoerd.

Dit kader ziet er als volgt uit:

  • Allereerst wordt getoetst aan de objectieve voorwaarden van een vertrekregeling. Dit kan op collectief dan wel individueel niveau;
  • Beoordeeld wordt of het ontslag al dan niet leeftijdgerelateerd is;
  • De beweegredenen van de werkgever en de werknemer zijn hierbij niet relevant;
  • Als op basis van de objectieve voorwaarden sprake kan zijn van een RVU, dan vindt op individueel niveau nog een toets plaats op basis van de objectieve kenmerken van de rege­ling;
  • Beoordeeld wordt of de ontslagvergoeding feitelijk in staat stelt om te overbruggen tot aan de AOW-leeftijd, dan wel eerdere pensioendatum, of gezien kan worden als een aanvulling op het pensioen. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van een 70%-toets.

In deze handreiking wordt eerst het arrest kort besproken, alsmede de gevolgen daarvan voor de praktijk. Vervolgens wordt het hierboven geschetste kader nader toegelicht.

2. Arrest Hoge Raad 22 juni 2018

In de betreffende casus was sprake van een werkgever die, in verband met een reorganisatie, voor haar werknemers een sociaal plan was overeengekomen met de betrokken vakbonden. In dat sociaal plan zijn boventallige werknemers aangewezen volgens het afspiegelingsbeginsel bij onderling uit­wisselbare functies. Daarnaast bevat het sociaal plan een ‘vrijwilligers en plaatsmakersregeling’ (hierna: de vrijwillige vertrekregeling).

Boventallige werknemers en werknemers die vrijwillig gebruikmaken van de regeling ontvangen een beëindigingsvergoeding. De vergoeding wordt berekend op basis van de kantonrechtersformule en bedraagt maximaal de redelijkerwijs te verwachten inkomensderving tot het bereiken van de leeftijd als bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW). Bij de berekening van de vergoeding wordt tevens rekening gehouden met de uitkeringsrechten waarop een werknemer aan­spraak kan maken.

De werkgever verzocht de inspecteur om bij beschikking als bedoeld in artikel 32ba, zevende lid, Wet LB te bepalen dat het sociaal plan inclusief de vrijwillige vertrekregeling, niet wordt aangemerkt als een RVU.

De inspecteur heeft dat verzoek afgewezen, omdat hij niet vooraf kon beoordelen hoeveel oudere werknemers daadwerkelijk gebruik zouden gaan maken van de vrijwillige vertrekregeling. Juist de achteraf vast te stellen mate van deelname door oudere werknemers zou volgens de inspecteur mede bepalend zijn voor de kwalificatie als RVU.

Zowel de Rechtbank als het Hof oordeelden dat geen sprake is van een RVU. Ook de Hoge Raad komt tot die conclusie: geen RVU, maar voert hierbij andere gronden aan dan het Hof en de Rechtbank. Volgens de Staatssecretaris had het Hof doorslaggevende betekenis moeten toekennen aan (de be­kendheid met) de feitelijke uitstroom (achteraf) van werknemers en de hoogte van de feitelijk over­eengekomen beëindigingsvergoedingen. Ofwel, de met de diensttijd oplopende beëindigingsvergoe­ding leidt tot een hogere vrijwillige uitstroom van oudere werknemers, voor wie de beëindigingsver­goeding kan dienen ter overbrugging naar AOW/pensioen. Hier is de Hoge Raad het niet mee eens.

De Hoge Raad overweegt:

  • de beweegredenen van de inhoudingsplichtige om zodanige uitkeringen of verstrekkingen aan te bieden doen in dit verband niet ter zake (zie Hoge Raad 13 mei 2016, nr. 15/01185, ECLI:NL:HR:2016:827, BNB 2016/169, onderdeel 2.3.2);
  • dat geldt evenzeer voor intenties en keuzes van werknemers om voor de Regeling te opteren;
  • op de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de feitelijk overeengekomen beëindigingsvergoedingen dient dus evenmin acht te worden geslagen, aangezien die facto­ren niet behoren tot de objectieve kenmerken en voorwaarden van de Regeling. Vaststelling van de bedoeling van de Regeling aan de hand van haar objectieve kenmerken en voorwaar­den is ook in overeenstemming met de in artikel 32ba, lid 7, van de Wet LB opgenomen mogelijkheid om vooraf te doen beslissen of een regeling een RVU vormt. Ter verkrijging van zekerheid vooraf kan immers enkel worden aangeknoopt bij de (objectieve) kenmerken en voorwaarden van een regeling, en niet bij het achteraf blijkende feitelijke gebruik ervan.

De Hoge Raad wijst hierbij tevens op de tekst van artikel 32ba, zevende lid, Wet LB, waarin is bepaald dat de werkgever vooraf aan de inspecteur kan verzoeken om bij voor bezwaar vatbare beschikking aan te geven of een vertrekregeling kwalificeert als RVU of niet. Daarbij kan de inspecteur alleen oordelen op basis van de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling zoals die vooraf­gaande aan de invoering van de regeling vast liggen. Het daadwerkelijk gebruik achteraf is hierbij niet van belang.

3. Gevolgen van het arrest voor de praktijk

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een vertrekregeling in het kader van een RVU-toets moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve voorwaarden en kenmerken van die regeling. Hierbij zijn de beweegredenen van zowel de werkgever als van de werknemer niet relevant. Verder dient de RVU-toets vooraf plaats te vinden. De feitelijke uitwerking van de vertrekregeling achteraf doet niet ter zake.

Naar aanleiding van het arrest zijn de besluiten van 26 mei 2005, nr. DGB2005/3299M, van 8 de­cember 2005, nr. DGB2005/6722M en van 18 december 2013, nr. BLKB2013/2200M bij het besluit van 11 december 2018, nr. 2018-28514 ingetrokken. Een RVU-toets dient rechtstreeks aan de hand van artikel 32ba, zesde lid, Wet LB plaats te vinden. Hieronder wordt uiteengezet op welke wijze de Belastingdienst hier invulling aan geeft.

4. RVU toetsing

4.1. Algemeen

Het kabinetsbeleid is gericht op de bevordering van de arbeidsparticipatie van ouderen. Dat gebeurt mede door de pseudo-eindheffing van artikel 32ba Wet LB. Deze wordt opgelegd ingeval van rege­lingen of delen van regelingen die kwalificeren als een RVU (waar in het vervolg wordt gesproken over een regeling wordt mede een deel van een regeling bedoeld). Dit artikel heeft niet alleen be­trekking op VUT-regelingen oude stijl die op omslagbasis werden gefinancierd, maar ook op (een­malige) ontslaguitkeringen, non-activiteitsregelingen en andere regelingen die ten doel hebben ou­dere werknemers vervroegd te laten stoppen met werken. De pseudo-eindheffing van artikel 32ba Wet LB komt echter pas in beeld als de vertrekregeling op basis van de objectieve kenmerken en voorwaarden ten doel heeft te voorzien in een overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de AOW-uitkeringen, dan wel te voorzien in een aanvulling op pensioenuitkeringen. Van een aanvulling op pensioenuitkeringen kan sprake zijn als het pensioen in verband met het beëindi­gen van de dienstbetrekking wordt vervroegd en de vertrekregeling het herrekende pensioeninko­men aanvult.

Of een vertrekregeling kwalificeert als een RVU, wordt bepaald aan de hand van artikel 32ba, zesde lid, Wet LB. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het hierbij niet uitmaakt of er al dan niet sprake is van onvrijwillig/gedwongen ontslag.

Uit de tekst van voornoemd zesde lid volgt dat van een RVU in ieder geval geen sprake is als de werknemer, die gebruik maakt van de vertrekregeling, op het moment van uittreden de AOW-leeftijd heeft bereikt. De uitkeringen overbruggen dan immers niet meer naar de AOW-leeftijd.
Verder is er geen sprake van een RVU in geval van een zogenoemde seniorenregeling en regelingen die naar aard, strekking, omvang en uitkeringsduur overeenkomen met uitkeringen ingevolge de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet, welke voldoen aan het bepaalde in ar­tikel 8.7, eerste lid respectievelijk het tweede lid van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

Voor het overige dient een regeling te worden beoordeeld aan de hand van de objectieve voorwaar­den en kenmerken van die regeling. Passend in de systematiek van de Wet LB vindt deze beoordeling plaats op het individuele niveau van de werknemer. Het kan echter zijn dat die werknemer deelneemt aan een collectieve regeling. De tekst van artikel 32ba Wet LB laat het dan ook toe om in eerste instantie die collectieve regeling als geheel te beoordelen.

Een RVU-toets vindt allereerst plaats op de objectieve voorwaarden van de regeling: welke werkne­mers mogen deelnemen en aan welke criteria moeten deze werknemers voldoen?

Indien nodig kan vervolgens nog gekeken worden naar de objectieve kenmerken van de regeling: is de beëindigingsvergoeding van een dusdanige omvang dat de werknemer feitelijk in staat wordt gesteld om te overbruggen naar de AOW-leeftijd of de eerdere pensioenleeftijd, dan wel dient de beëindigingsvergoeding ter aanvulling op de pensioenuitkeringen van de werknemer.

In het onderstaande wordt de toets op basis van de objectieve voorwaarden en kenmerken nader uitgewerkt.

4.2. Objectieve voorwaarden

Zoals aangegeven gaat het hierbij om de objectieve voorwaarden voor deelname aan de regeling.

Getoetst wordt of de vertrekregeling, uitgaande van deze voorwaarden, ten doel heeft oudere werk­nemers vervroegd te laten stoppen met werken, door middel van een overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de AOW-uitkeringen, dan wel te voorzien in een aanvulling op pensioenuitkeringen.

Een aantal aspecten is van belang bij de beoordeling van de objectieve voorwaarden:

  • Er is al dan niet sprake van niet-leeftijdgerelateerd ontslag;
  • De beweegredenen van de inhoudingsplichtige om de regeling aan te bieden doen niet ter zake;
  • De intenties en keuzes van de werknemer om te opteren voor een vertrekregeling doen niet ter zake.

Aan de hand van een aantal (niet limitatieve) voorbeelden worden deze aspecten nader toegelicht.

4.2.1. Niet-leeftijdgerelateerd ontslag

Dit is het hoofdcriterium, waaraan in alle gevallen getoetst kan worden. Dit is nog eens duidelijk geworden in het arrest van de Hoge Raad 22 juni 2018, nr. 16/06236, ECLI:NL:HR:2018:958. Het criterium van niet-leeftijdgerelateerd ontslag wordt in deze handreiking (in eerste instantie) nader toegelicht in een voorbeeld van individueel ontslag.

Ook een vertrekregeling bij een individueel ontslag kan worden geraakt door artikel 32ba Wet LB. Veelal zal in de beëindigingsovereenkomst niet zijn vastgelegd of het ontslag al dan niet leeftijdge­relateerd is. Als een vergoeding bij ontslag ten doel heeft een inkomensoverbrugging te geven tot het ingaan van een pensioen- of AOW-uitkering, dan wel ten doel heeft een pensioenuitkering aan te vullen, kan er ondanks het ontbreken van een expliciete leeftijdsgrens wel sprake zijn van een RVU. Veel ontslagsituaties zullen evenwel niet onder de werking van artikel 32ba, Wet LB vallen, omdat de individuele vertrekregeling met een ander doel wordt toegekend. Anders gezegd, de indi­viduele vertrekregeling heeft op basis van de objectieve voorwaarde om daaraan deel te nemen niet ten doel te overbruggen of aan te vullen.

Voorbeeld geen RVU

Een vertrekregeling bij ontslag wegens bijvoorbeeld disfunctioneren heeft in beginsel niet ten doel een inkomensoverbrugging te geven tot het ingaan van een pensioen- of AOW-uitkering. De objec­tieve voorwaarde voor deelname is disfunctioneren en daarmee niet-leeftijdgerelateerd. Hetzelfde geldt voor andere niet-leeftijdgerelateerde ontslaggronden, zoals onenigheid over het te voeren be­leid of onverenigbaarheid van karakters. Disfunctioneren, onenigheid over het te voeren beleid of onverenigbaarheid van karakters zullen door de inhoudingsplichtige kunnen worden aangetoond mid­dels een goede dossiervorming. Uitkeringen uit dergelijke vertrekregelingen vallen in de geschetste omstandigheden buiten de reikwijdte van artikel 32ba Wet LB.

Een nadere toetsing aan de objectieve kenmerken van de vertrekregeling is in deze situaties niet meer nodig.

Voorbeeld mogelijk wel RVU

Er kan wel sprake zijn van een RVU als de betrokken werkgever een reeks individuele werknemers van of boven een bepaalde leeftijd (bijvoorbeeld 58, 60 of 62 jaar) wegens één van de hiervoor genoemde omstandigheden ontslaat. Er kan dan verschil van inzicht met de werkgever ontstaan over de werkelijke ontslaggrond. In dat geval zal de inspecteur het bewijs kunnen leveren dat feitelijk sprake is van leeftijdgerelateerd ontslag en zodoende sprake is van een (vermomde) RVU.
Als het ontslag toch leeftijdgerelateerd blijkt, dan kan voor de individuele werknemer nog vastgesteld worden, of de beëindigingsvergoeding uit hoofde van de regeling ook feitelijk leidt tot een overbrug­ging, dan wel een aanvulling (zie verder4.3. Objectieve kenmerken).

4.2.2. De beweegredenen van de inhoudingsplichtige om de regeling aan te bieden doen niet ter zake

Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad 13 mei 2016, nr. 15/01185, ECLI:NL:HR:2016:827, on­derdeel 2.3.2. Uit het arrest is af te leiden dat een afvloeiingsregeling in het kader van een reorga­nisatie in beginsel kan kwalificeren als een RVU. De werkgever zal doorgaans economische redenen hebben, zoals een noodzakelijke afslankingsoperatie of een besluit om een afdeling geheel of ge­deeltelijk op te heffen omdat het voordeliger is om het werk van die afdeling uit te besteden. Deze beweegredenen zijn niet relevant voor de RVU-toets.

Voorbeeld geen RVU

Indien op basis van objectieve voorwaarden van de regeling op voorhand duidelijk is dat de reorga­nisatie niet ten doel heeft tot de uitstroom van oudere werknemers met het oog op vervroegd uit­treden, kwalificeert de vertrekregeling niet als een RVU. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de reor­ganisatie plaatsvindt met het oog op de vermindering van het personeelsbestand op basis van ob­jectieve criteria zoals het lifo-systeem of het afspiegelingsbeginsel. In geval dergelijke objectieve, niet-leeftijdgerelateerde criteria zijn gebruikt, is de hoogte van de compensatie niet meer relevant, ook niet als die compensatie in staat stelt te overbruggen naar pensioen- of AOW-leeftijd.

Een nadere toetsing aan de objectieve kenmerken van de regeling is derhalve dus niet meer nodig.

Voorbeeld mogelijk wel RVU

Een vertrekregeling in het kader van een reorganisatie kan bijvoorbeeld wel als RVU kwalificeren, indien deze regeling uitsluitend openstaat voor alle werknemers vanaf een bepaalde leeftijd (bijvoor­beeld 58, 60 of 62 jaar) en waarbij hun leeftijd het doorslaggevende criterium is om voor deze regeling in aanmerking te komen. In dit geval kan per individuele werknemer nog beoordeeld worden of er feitelijk sprake is van een overbrugging of aanvulling (zie verder 4.3. Objectieve kenmerken).

4.2.3. De intenties en keuzes van werknemers om voor een vertrekregeling te opteren doen niet ter zake

Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad 22 juni 2018, nr. 16/06236, ECLI:NL:HR:2018:958, on­derdeel 3.2. De intenties van een werknemer zullen doorgaans pas een rol spelen, indien sprake is van een vrijwillige vertrekregeling. Ingeval van een vrijwillige vertrekregeling kan de werknemer namelijk kiezen om al dan niet deel te nemen. Uit de overweging van de Hoge Raad kan – voor vertrekregelingen die geen specifiek leeftijdscriterium kennen – worden afgeleid, dat op de feitelijke uitstroom (achteraf) van werknemers en de hoogte van de feitelijk overeengekomen beëindigings­vergoedingen geen acht dient te worden geslagen. Dat vooral oudere werknemers een vertrekrege­ling aantrekkelijk achten en er daarom gebruik van maken, doet dus niet ter zake. Deze factoren behoren namelijk niet tot de objectieve kenmerken en voorwaarden van de (vrijwillige) vertrekrege­ling.

Voorbeeld geen RVU

De Hoge Raad doelt in het arrest op vertrekregelingen, waarbij de deelname open staat voor het voltallige personeel. Daarbij is het dan niet van belang dat de hoogte van de beëindigingsvergoeding achteraf zou kunnen leiden tot een hogere uitstroom van oudere werknemer (die deze regeling blijk­baar aantrekkelijk hebben geacht). Dergelijke vertrekregelingen kwalificeren niet als RVU, omdat dit soort algemene vertrekregelingen niet specifiek is gericht op uitstroom van oudere werknemers. Omdat de vertrekregeling voor het voltallige personeel openstaat, is er geen sprake van een leeftijd­gerelateerd ontslag bij deelname aan die regeling.

Voorbeeld mogelijk wel RVU

Wel als RVU kwalificeren (delen van) vertrekregelingen, waarbij deelname open staat voor het vol­tallige personeel, maar bijvoorbeeld een deel van de regeling alleen open staat voor een specifieke groep oudere werknemers vanaf een bepaalde leeftijd. In dit geval kan deelname aan dat specifieke deel van de regeling leiden tot leeftijdgerelateerd ontslag. Voor het deel van de regeling dat alleen open staat voor de oudere werknemers kan op individueel niveau nog beoordeeld worden of er ook feitelijk sprake is van een overbrugging of aanvulling (zie verder 4.3. Objectieve kenmerken).

4.3. Objectieve kenmerken

In bepaalde situaties kan op basis van de objectieve voorwaarden van een collectieve dan wel indi­viduele vertrekregeling vast komen te staan, dat deze regeling ten doel kan hebben een inkomens­overbrugging te geven tot het ingaan van een pensioen- of AOW-uitkering, dan wel ten doel heeft een pensioenuitkering aan te vullen. In die gevallen kan vervolgens per werknemer aan de hand van de objectieve kenmerken van de regeling getoetst worden of er ook daadwerkelijk sprake is van een overbrugging of aanvulling, als bedoeld in artikel 32ba, zesde lid, Wet LB. Hiervoor hanteert de Belastingdienst een 70%-toets.

De 70%-toets

Een vertrekregeling is geen RVU, wanneer met de ontslagvergoeding uit hoofde van de regeling een fictieve periodieke uitkering wordt berekend, welke aanvangt op het moment van feitelijk uitdienst treden en eindigt op de dag voordat de (ex-)werknemer de leeftijd heeft bereikt van 24 maanden voorafgaand aan de pensioen- of AOW-leeftijd (vroegste van de twee), waarbij die fictieve periodieke uitkering jaarlijks gelijkblijvend en tevens nominaal is en verder op jaarbasis niet hoger is dan 70% van het (laatstgenoten) reguliere jaarloon uit de dienstbetrekking waaruit de (ex-)werknemer ver­trekt. Het begrip regulier jaarloon is nader toegelicht in V&A 09-011.

Bij deze toetsing dient bij het bepalen van de 70%-grens tevens rekening te worden gehouden met de naar verwachting overig te ontvangen uitkeringen uit dezelfde vroegere dienstbetrekking (WW, ZW, WAO, VUT, prepensioen, vervroegd ouderdomspensioen, levensloop e.d.). Deze uitkeringen die­nen derhalve voor de toetsing te worden ingebouwd.

De fictieve periodieke uitkering kan worden berekend op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. Hierbij kan in ieder geval worden aangesloten bij de grondslagen uit de Benaderde Marktwaarde methode, zoals omschreven in het Vraag & Antwoord 13-006 op www.belastingdienstpensioensite.nl. De ingangsdatum (en tevens berekeningsdatum) van de jaarlijks gelijkblijvende, nominale periodieke uitkering is de datum van feitelijk uittreden van de werknemer. De einddatum is gelegen op de dag voordat de (ex-)werknemer de leeftijd heeft bereikt van 24 maanden voor de pensioen- of AOW-leeftijd (vroegste van de twee). Hierbij gaat het om de pensioenrichtleeftijd, zoals opgenomen in de pensioenregeling waaraan de (ex-)werknemer deelnam vlak voorafgaande aan het uittreden, dan wel de vervroegde pensioendatum indien de (ex-)werknemer hiervoor gekozen heeft.

Het gaat bij de 70%-toets altijd om een fictieve berekening. Indien deze berekening leidt tot de conclusie dat geen RVU aanwezig is, kunnen de eventuele werkelijke looptijd en de werkelijke hoogte van de termijnen van de vertrekregeling dus afwijken zonder dat de regeling daardoor een RVU wordt. Datzelfde geldt voor de feitelijke pensioeningangsdatum. Als de werknemer op een later mo­ment besluit om het pensioen vervroegd in te laten gaan, dan hoeft er geen nieuwe toets plaats te vinden. Van belang is wel dat niet reeds op moment van feitelijk uittreden de intentie bestaat om op een later tijdstip de pensioendatum te vervroegen.

In het kader van het bovenstaande, waarbij er geen sprake is van een RVU, wordt volledigheidshalve nog het volgende opgemerkt. Indien een vertrekregeling voorziet in de betaling van een ontslagver­goeding in termijnen (bijvoorbeeld in geval van een non-activiteitsregeling), kunnen deze termijnen worden aangemerkt als een belaste aanspraak in de zin van artikel 10, tweede lid, Wet LB. De vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, Wet LB is dan immers niet van toepassing. Uitzon­dering kan een aanvulling op de ww-uitkering zijn, zoals bijvoorbeeld wachtgeld. Deze kan vallen onder de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet LB.

Als de ontslagvergoeding later plaatsvindt dan op de dag voordat de (ex-)werknemer de leeftijd heeft bereikt van 24 maanden voor de pensioen- of AOW-leeftijd (vroegste van de twee) zal de Belasting­dienst in beginsel het standpunt innemen dat er sprake is van (een recht op) een uitkering die als een RVU wordt aangemerkt.

Toelichting:
De toetsgrens van 70% en de einddatum van de fictieve periodieke uitkering hangen met elkaar samen. Er kan in ieder geval geen sprake van een overbrugging zijn, wanneer de fictief aan te kopen periodieke uitkering stopt ruim voor de AOW-datum of vroegere pensioendatum. Als de fictief aan te kopen periodieke uitkering in de toetsperiode niet meer dan 70% bedraagt, dan acht de Belasting­dienst het aannemelijk dat de beëindigingsvergoeding de werknemer tevens niet in staat stelt om een dusdanig deel van de beëindigingsvergoeding op zij te zetten om ook de laatste 24 maanden te overbruggen.

5. Tijdelijke drempelvrijstelling RVU-heffing

Als onderdeel van het op 5 juni 2019 door kabinet, werknemers- en werkgeversorganisaties gesloten principeakkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel, is voor RVU’s tijdelijk een drempelvrijstelling ingevoerd. Voor zover de betalingen in het kader van de RVU onder het bedrag van de drempelvrijstelling blijven, is geen RVU-heffing verschuldigd.

De voorwaarden voor de RVU-drempelvrijstelling zijn als volgt:

  • De RVU uitkering vindt plaats in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025;
  • Voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2028 geldt een uitloopperiode. Gedurende deze periode kan de drempelvrijstelling worden toegepast, mits de beëindigingsovereenkomst uiterlijk 31 december 2025 getekend is en de werknemer uiterlijk op 31 december 2025 de leeftijd heeft bereikt die (maximaal) 36 maanden vóór de AOW-leeftijd ligt;
  • De drempelvrijstelling geldt zowel voor een uitkering ineens, als voor periodieke uitkeringen ingevolge een RVU;
  • De drempelvrijstelling is enkel van toepassing op uitkeringen uit een RVU die plaatsvinden in de periode vanaf 36 maanden voorafgaande aan de AOW-leeftijd van een werknemer;
  • De drempelvrijstelling is maximaal het in artikel 32ba, zevende lid, Wet LB genoemde bedrag en wordt berekend per maand, aan de hand van het aantal maanden vanaf de (eerste) uitkering tot aan het bereiken van de AOW-leeftijd van de werknemer, met een maximum van 36 maanden. Vindt de (eerste) uitkering dus plaats op een moment dat gelegen is op minder dan 36 maanden vóór de AOW-leeftijd in, dan geldt de vrijstelling alleen nog voor de resterende maanden. Bovendien wordt een gedeelte van een maand naar boven afgerond;
  • Bedraagt een vergoeding ingevolge een RVU meer dan het bedrag van de drempelvrijstelling, dan is over het meerdere de RVU-heffing verschuldigd.

Wordt aan bovenstaande voorwaarde voor wat betreft de 36-maandsperiode voor de AOW-leeftijd niet voldaan, dan is de RVU-drempelvrijstelling niet van toepassing en is RVU-heffing verschuldigd over de volledige uitkering.

Nieuwsbrief Loonheffingen 2021Uitgave 3-28 januari 2021, loonheffing, aangifte,

door100% Salarisverwerking B.V.

Levenslooptegoed belast bij aankoop extra verlof, Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP)

Een werknemer kan een levenslooptegoed niet onbelast gebruiken voor aankoop van extra verlof.
          
Dit staat in een antwoord dat het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft gepubliceerd.

 
Het CAP heeft de volgende vraag beantwoord:
Een werknemer heeft in 2021 nog een tegoed ingevolge een levensloopregeling. Hij wil dit tegoed onbelast aanwenden voor de aankoop van extra verlof. Is dat mogelijk?
 
Antwoord:
Als een werknemer de aanspraak op levensloopverlof omzet in een aanspraak op extra verlof, is dit belast. De aanspraak op levensloopverlof wordt op dat moment geheel tot het loon gerekend.
 
 

V&A 20-011 Levenslooptegoed onbelast omzetten in verlofsparen is niet mogelijk

Dit V&A 20-011 behandelt de vraag of het mogelijk is om het levenslooptegoed dat nog niet als loon in aanmerking is genomen of is omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling, zonder belastingheffing om te zetten in een aanspraak op (spaar)verlof.

 

Inleiding

Op 1 januari 2022 komt een einde aan het overgangsrecht voor levensloopregelingen. Om de afwikkeling van de levensloopregelingen goed te laten verlopen is vanaf 1 januari 2021 in artikel 39d, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) een fictief genietingsmoment opgenomen op 1 november 2021.

Tot en met 31 oktober 2021 blijft de huidige mogelijkheid bestaan om de waarde van de levensloopaanspraak op te nemen door middel van het op verzoek geheel of gedeeltelijk via de (ex-)werkgever laten uitbetalen van de waarde van de levensloopaanspraak of om te zetten in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling

Op 1 november 2021 wordt de nog niet eerder belaste of in een pensioenaanspraak omgezette levensloopaanspraak belast als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Indien de betreffende (gewezen) werknemer aan het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, wordt de levensloopaanspraak belast als loon uit vroegere dienstbetrekking.

 

Vraag

Een werknemer heeft in 2021 nog een tegoed ingevolge een levensloopregeling. Hij wil dit tegoed onbelast aanwenden voor de aankoop van extra verlof. Is dat mogelijk?
Antwoord

Nee. Omzetten van de aanspraak op levensloopverlof in een aanspraak op extra verlof leidt tot heffing (zie artikel 19g, zesde lid, onderdeel a, en het negende lid, Wet LB (tekst 2011)). De aanspraak op levensloopverlof wordt op dat moment geheel tot het loon gerekend. Ook als een werknemer met zijn werkgever afspreekt dat de werkgever zijn levenslooptegoed niet als zodanig aan hem uitbetaalt, is zijn levensloopaanspraak uiterlijk op 1 november 2021 fiscaal genoten. Hierop heeft de wetgever alleen een uitzondering gemaakt voor het geval de werknemer binnen de wettelijke grenzen zijn aanspraak ingevolge een levensloopregeling voor 1 november 2021 omzet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.

 

Toelichting

Per 1 januari 2012 is de fiscale levensloopregeling komen te vervallen. Voor werknemers die op 31 december 2011 een levensloopaanspraak hadden, waarvan de waarde in het economische verkeer op die datum € 3.000 of meer bedroeg geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht voor levensloopregelingen eindigt met ingang van 1 januari 2022. Om de afwikkeling van de levensloopregelingen goed te laten verlopen is vanaf 1 januari 2021 in artikel 39d, vierde lid, Wet LB een fictief genietingsmoment opgenomen op 1 november 2021.

Tot en met 31 oktober 2021 blijft de mogelijkheid bestaan om de waarde van de levensloopaanspraak op te nemen door middel van het op verzoek geheel of gedeeltelijk via de (ex-)werkgever laten uitbetalen van de waarde van de levensloopaanspraak.

Met toepassing van artikel 19g, zevende lid, Wet LB (tekst 2011) kan een aanspraak ingevolge een levensloopregeling nog tot en met 31 oktober 2021 worden omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet LB gestelde begrenzingen.

Indien op 1 november 2021 een niet eerder belaste levensloopaanspraak aanwezig is, wordt de waarde in het economische verkeer van deze aanspraak op dat moment in beginsel als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in de loonheffing betrokken. Indien de betreffende (gewezen) werknemer aan het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, wordt de aanspraak echter aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.

 

Het volledige antwoord leest u op centraalaanspreekpuntpensioenen.belastingdienst.nl.
 
 
2021 belastingdienst, 2021 overheid, 2021 UWV, 2021 rijksoverheid, 2021 wet- en regelgeving, 2021 regels, 2021 belastingen,

door100% Salarisverwerking B.V.

Na werkhervatting, geen fiscale gevolgen voor pensioen van werknemers

Ook medewerkers die niet in de zorg werken, kunnen na vervroegd pensioen, gaan werken zonder dat dit gevolgen heeft voor hun pensioen .
   
Hiervoor gelden wel voorwaarden. Dit staat in de nieuwe versie van een antwoord dat het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen heeft gepubliceerd.

Dit was al van toepassing voor medewerkers in de sector Zorg en Welzijn.

De volledige vraag en het antwoord kunt u lezen op de internetsite van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen.

 

Inhoud

V&A 20-005:Geen fiscale gevolgen voor pensioen van zorgmedewerkers die vervroegd met pensioen zijn gegaan en weer gaan werken in verband met coronavirus COVID-19

Dit V&A 20-005 behandelt de vraag of gepensioneerde zorgmedewerkers die meer dan vijf jaar vóór het bereiken van de AOW-leeftijd vervroegd met pensioen zijn gegaan, zonder fiscale gevolgen voor het pensioen opnieuw in de zorgsector kunnen gaan werken vanwege het coronavirus COVID-19.

 

Vraag

Zorginstellingen overwegen om reeds gepensioneerde zorgmedewerkers tijdelijk weer in dienst te nemen om de stijgende werkdruk op te vangen, die ontstaan is als gevolg van de uitbraak van het coronavirus COVID-19.

Enkele van deze gepensioneerde zorgmedewerkers hebben hun pensioen meer dan vijf jaar vóór hun AOW-leeftijd vervroegd laten ingaan. Zij hebben bij de vervroegde ingang van het pensioen verklaard dat zij niet meer van plan waren om te gaan werken.

Kunnen deze vervroegd gepensioneerde zorgmedewerkers nu in verband met de uitbraak van het coronavirus COVID-19 opnieuw in dienst treden, zonder fiscale gevolgen voor het pensioen?

 

Antwoord

Ja, deze gepensioneerde zorgmedewerkers, die hun pensioen meer dan vijf jaar vóór hun AOW-leeftijd vervroegd hebben laten ingaan, kunnen nu in verband met de uitbraak van het coronavirus COVID-19 opnieuw weer aan het werk gaan, zonder dat dit fiscale gevolgen heeft voor hun pensioen.

Het is aannemelijk dat deze gepensioneerde zorgmedewerkers op moment van vervroegde pensionering niet de intentie hadden om later weer aan het werk te gaan. De uitbraak van het coronavirus COVID-19 is een nieuw ontstane situatie en vormt de aanleiding voor het hervatten van de werkzaamheden. Op het moment van vervroegde pensionering was dit natuurlijk niet voorzienbaar.

Voor een nadere toelichting op het vervroegen van pensioen en doorwerken wordt verwezen naar V&A 08-014 en onderdeel 6 van het Verzamelbesluit pensioenen van 11 december 2018, nr. 2018-28514.

Het voorgaande is ook afgestemd met het Pensioenfonds Zorg & Welzijn. Naar aanleiding van deze afstemming heeft het pensioenfonds het bericht ‘Extra inzet gepensioneerde werknemers ’ gepubliceerd op haar website.

 

Let op!

De inhoud van dit V&A geldt niet alleen voor vervroegd gepensioneerde zorgmedewerkers die weer aan het werk gaan in de zorgsector. Ook medewerkers uit andere sectoren die hun pensioen vervroegd hebben laten ingaan, kunnen onder voorwaarden weer aan het werk gaan zonder dat dit fiscale gevolgen heeft voor hun pensioen. Hoe de belastingdienst in het algemeen omgaat met de samenloop van vervroegen van de pensioenuitkeringen en weer gaan werken en de voorwaarden waaronder dit mogelijk is, is uitgewerkt in V&A 08-014.

 
 

Gerelateerd bericht

Werkhervatting gepensioneerde zorgmedewerkers zonder nadelige pensioengevolgen
 
 
AOW-leeftijd, AOW-leeftijd verhoogd, verhoging aow 69 jaar,aow 2040, 69 jr aow, 69 jaar aow 2040

door100% Salarisverwerking B.V.

Update vragen en antwoorden pensioensite Belastingdienst

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst ( CAP ) heeft 1 nieuwe vraag met antwoord op haar internetsite toegevoegd.
   
Ook zijn 2 antwoorden op vragen aangepast en zijn 2 vragen en antwoorden vervallen. Hieronder leest u welke dat zijn.

De volgende vraag met antwoord is toegevoegd:

De volgende vragen en antwoorden zijn aangepast:

De volgende vragen en antwoorden zijn vervallen:

CAP beantwoordt vragen over de fiscale behandeling van pensioenen, oudedagsverplichtingen, regelingen voor vervroegde uittreding, loonstamrechten en levensloopregelingen.

Nieuwe vragen en antwoorden leest u regelmatig op de pensioensite van de Belastingdienst.

 

Gerelateerd

Vragen en antwoorden pensioensite Belastingdienst nieuwe versie
Pensioenopbouw, arbeidsduurverkorting V&A 20-004 en corona
V&A’s en handreikingen op pensioensite aangepast of vervallen
Werkhervatting gepensioneerde zorgmedewerkers zonder nadelige pensioengevolgen
 
 
AOW-leeftijd, AOW-leeftijd verhoogd, verhoging aow 69 jaar,aow 2040, 69 jr aow, 69 jaar aow 2040