Tag archief arbeidskorting

door100% Salarisverwerking B.V.

Wijzigingen voor de loonheffingen 2020

De voorstellen hebben de bedoeling in te gang op 1 januari

                

We gaan in op de belangrijkste voorgestelde wijzigingen voor de loonheffingen die op Prinsjesdag, 17 september 2019 zijn ingediend bij de Tweede Kamer, tevens belichten we al aangenomen wijzigingen voor 2020.

 
derde dinsdag van september, prinsjesdag, overheid, belastingen, besluiten den haag, regeringsbesluiten, regeringsbeleid,

1. Belastingtarieven en heffingskortingen uit het Belastingplan 2020

Het tweeschijvenstelsel wordt versneld ingevoerd. De wijziging die voor 1 januari 2021 was beoogd, wordt nu per 1 januari 2020 gerealiseerd. Het toptarief bedraagt in 2019 51,75% en wordt met ingang van 1 januari 2020 verlaagd naar 49,50%.

De tarieven voor werknemers geboren op of na 1 januari 1946 zullen op 1 januari 2020 als volgt zijn:

Bij een belastbaar loon van meer dan Maar niet meer dan Belastingtarief Premies volksverzekeringen Gecombineerd tarief
€ 34.712 9,70% 27,65% 37,35%
€ 34.712 € 68.507 37,35% 37,35%
€ 68.507 49,50% 49,50%

 

De algemene heffingskorting

De maximale algemene heffingskorting wordt ten opzichte van 2019 met € 194 verhoogd. Rekening houdend met de indexering is de maximale algemene heffingskorting per 1 januari 2020 dan € 2.711. De hoogte van de algemene heffingskorting is afhankelijk van het inkomen. Hoe hoger het inkomen, hoe lager de algemene heffingskorting. Bij een inkomen van € 68.507 en hoger is de algemene heffingskorting nihil.
 

De arbeidskorting

De maximale arbeidskorting per 1 januari 2020 is € 3.819. De hoogte van de arbeidskorting is afhankelijk van het inkomen. Tot een arbeidsinkomen van € 34.989 loopt de arbeidskorting op naarmate het inkomen hoger is. Vanaf een arbeidsinkomen van € 34.989 bouwt de arbeidskorting af. Bij een arbeidsinkomen van € 98.639 en hoger is de arbeidskorting nihil.
 

Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet

De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd door de werkgever zal met ingang van 1 januari 2020 worden verlaagd van 6,95% naar 6,70%. Het maximale premie-inkomen voor de Zorgverzekeringswet bedraagt per 1 januari 2020 € 57.214.
 

2. Aangekondigde wijzigingen pakket Belastingplan 2020

Aanpassingen werkkostenregeling

De werkkostenregeling (WKR) is een regeling in de loonbelasting voor de behandeling van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die door de werkgever aan de werknemer worden gedaan in het kader van de dienstbetrekking.

De WKR zal op vijf punten wijzigen:

1. Vergroten vrije ruimte

Op dit moment is de vrije ruimte 1,2% van de fiscale loonsom (kolom 14-loon) van een werkgever. Het percentage van de vrije ruimte in de WKR gaat omhoog naar 1,7% voor de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom plus 1,2% van het restant van de fiscale loonsom. Als de concernregeling wordt toegepast, kan niet voor elke inhoudingsplichtige gebruik worden gemaakt van het verhoogde percentage van 1,7%. De vrije ruimte wordt in dat geval namelijk berekend op basis van de fiscale loonsom van alle concernvennootschappen samen en dan geldt het percentage van 1,7% slechts over de eerste € 400.000.

2. Gerichte vrijstelling voor verklaring omtrent gedrag

Er komt een gerichte vrijstelling voor de kosten van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) of een daarmee vergelijkbare buitenlandse verklaring.

3. Meer tijd voor eindafrekening

Werkgevers krijgen meer tijd om de verschuldigde eindheffing in verband met overschrijding van de vrije ruimte vast te stellen, aan te geven en af te dragen. Op dit moment moet de zogenoemde eindafrekening uiterlijk worden gedaan met de aangifte loonheffingen over het eerste tijdvak van het volgende kalenderjaar. Het wordt mogelijk om de eindafrekening uiterlijk te doen met de aangifte loonheffingen over het tweede tijdvak van het volgende kalenderjaar. Voor de werkgevers die een maandaangifte doen betekent deze verlenging dat de eindheffing kan worden meegenomen bij de aangifte over februari, die in maart moet worden gedaan en betaald.

4. Waardering producten eigen bedrijf

Als hoofdregel geldt dat loon in natura wordt gewaardeerd op de factuurwaarde inclusief btw. Als de factuur ontbreekt, is de waarde economisch verkeer doorslaggevend. In het geval van verstrekkingen van branche-eigen producten van de werkgever of een daarmee verbonden vennootschap geldt een uitzondering. Het branche-eigen product wordt nu nog gewaardeerd op het bedrag dat aan een derde in rekening zou worden gebracht. Dit wordt aangepast. Het branche-eigen product wordt voortaan gewaardeerd op de waarde economisch verkeer. Meestal is dit de consumentenprijs.

5. Bestuursrechtelijke dwangsommen en geldsommen in het kader van strafbeschikkingen

Geldboeten die de werkgever voor zijn werknemer betaalt of vergoedt, kunnen op basis van de wet in beginsel niet worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel en moeten dus worden belast op de salarisstrook. Dit gaat ook gelden voor bestuurlijke (buitenlandse) dwangsommen en geldsommen in het kader van strafbeschikkingen of daarmee vergelijkbare buitenlandse wijze van bestraffing.
 

Indexering onbelaste vrijwilligersvergoeding/verstrekking

Over vergoedingen en verstrekkingen van in totaal maximaal € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar die worden ontvangen door personen die als vrijwilliger werkzaam zijn, worden geen loonheffingen ingehouden en afgedragen. De genoemde bedragen worden vanaf 1 januari 2020 jaarlijks geïndexeerd. De indexatie wordt voor het jaarbedrag afgerond op een veelvoud van € 100. Door de afronding zullen de bedragen niet elk jaar stijgen. Het maandbedrag wordt vervolgens berekend door het jaarbedrag door tien te delen.
 

Keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer

Er wordt een keuzeregeling ingevoerd op grond waarvan kan worden gekozen om berichten van de Belastingdienst elektronisch of per post toegezonden te krijgen. Het keuzerecht kan feitelijk pas worden ingevoerd op het moment dat de Belastingdienst een keuzeregistratie- en verwerkingsvoorziening operationeel heeft en voldoende berichtenstromen zijn gedigitaliseerd. De inwerkingtreding zal per Koninklijk Besluit plaatsvinden.
 

S&O-afdrachtvermindering

Uit de evaluatie Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk is naar voren gekomen dat de huidige systematiek van de aanvraag S&O-verklaring onvoldoende aansluit bij de manier van werken van de gebruikers. Naar aanleiding van de evaluatie is voorgesteld om het aantal momenten waarop de S&O-verklaring kan worden aangevraagd uit te breiden van drie naar vier per jaar.

Nu dient de aanvraag ten minste een maand voorafgaand aan de periode te worden aangevraagd. Op basis van het wetsvoorstel wordt het uiterste moment van het indienen van een aanvraag gesteld op de dag voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. Voor aanvragen voor een periode die ingaat op 1 januari van een kalenderjaar wordt voorgesteld de uiterste indieningsdatum te stellen op 20 december van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Tot slot worden in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen regels opgenomen op grond waarvan in bepaalde gevallen de termijnoverschrijding voor indiening van een S&O-verklaring verschoonbaar is. Dit is een codificering van de uitvoeringspraktijk.
 

Vaste inrichting definitie Wet op de loonbelasting

Als een in het buitenland gevestigde werkgever een vaste inrichting in Nederland heeft, wordt deze buitenlandse werkgever aangemerkt als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting. Voor de invulling van de definitie van de begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ in de loonbelasting wordt aangesloten bij de vennootschapsbelasting. Voor meer informatie verwijzen wij naar het onderdeel ‘Aanpassing definitie vaste inrichting in vervolg op het Multilateraal instrument tegen internationale belastingontwijking’ bij de maatregelen in de vennootschapsbelasting.

In de loonbelasting kennen we ook nog een fictieve vaste inrichting. Vooralsnog blijft de definitie daarvan ongewijzigd.

Tevens wordt voor de definitie van het Noordzeewinningsgebied voor de loonbelasting aangesloten bij de definitie in de vennootschapsbelasting.
 

Verhoging bijtelling privégebruik elektrische auto van de zaak

De bijtelling voor het privégebruik van de elektrische auto van de zaak is 4% van de cataloguswaarde tot € 50.000. Als de cataloguswaarde hoger is dan € 50.000, dan geldt over het meerdere een bijtellingspercentage van 22%. Als onderdeel van het op 28 juni 2019 door het kabinet overeengekomen Klimaatakkoord wordt de verlaagde bijtelling van 4% voor elektrische auto’s van de zaak (auto’s zonder CO2-uitstoot) vanaf 2020 als volgt verhoogd voor auto’s die in de betreffende jaren worden toegelaten op de weg voor een periode van maximaal zestig maanden:

Jaar Bijtelling Maximale catalogus waarde Bijtelling boven maximum cataloguswaarde
2020 8% € 45.000 22%
2021 12% € 40.000 22%
2022 16% € 40.000 22%
2023 16% € 40.000 22%
2024 16% € 40.000 22%
2025 17% € 40.000 22%

Vanaf 2026 geldt voor een elektrische auto van de zaak dezelfde bijtelling als voor een gewone auto van de zaak.

Voor waterstofauto’s zal de cap op de cataloguswaarde niet gelden. Met ingang van 1 januari 2021 wordt dit ook uitgebreid naar zonnecelauto’s.
 

3. Eerder aangenomen wijzigingen met inwerkingtreding 1 januari 2020

Fiscale bijtelling terbeschikkingstelling fiets van de zaak

De regeling voor het (mede) voor privédoeleinden ter beschikking stellen van een fiets van de zaak wordt met ingang van 1 januari 2020 vereenvoudigd. Nu moet nog per geval worden bepaald wat het werkelijke voordeel van het privégebruik van de fiets is. Door werkgevers wordt dit als administratief omslachtig ervaren. Daarom gaat vanaf 2020 voor het privégebruik van de ter beschikking gestelde fiets een vaste bijtelling gelden, zoals we deze ook kennen voor de auto van de zaak. Voor de ter beschikking gestelde fiets wordt de bijtelling 7% van de waarde van de fiets. Deze laatste waarde wordt gesteld op de in Nederland door de fabrikant of importeur publiekelijk kenbaar gemaakte consumentenadviesprijs van de fiets. Als voor de fiets geen consumentenadviesprijs beschikbaar is, wordt aangesloten bij de consumentenadviesprijs van de meest vergelijkbare fiets. In het geval de werknemer een vergoeding verschuldigd is voor het privégebruik van de fiets mag deze in aftrek worden gebracht op de bijtelling, maar de bijtelling kan niet negatief worden.

Er bestaat geen wettelijke definitie van het begrip ‘fiets’. De wetgever heeft bepaald dat een speedpedelec tevens wordt aangemerkt als fiets indien deze mede door menselijke spierkracht wordt aangedreven en is uitgerust met een elektromotor (juridisch is het namelijk een bromfiets).

Dat een fiets (mede) voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, moet in beginsel door de inspecteur aannemelijk worden gemaakt. Met het oog op de eenvoud, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid wordt een fiets echter in ieder geval geacht voor privédoeleinden ter beschikking te staan als de fiets ook voor woon-werkverkeer ter beschikking staat.
 

Wijziging sectorindeling

Op 28 mei 2019 is de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) aangenomen. Dit betekent dat per 1 januari 2020 de sectorale differentiatie in de WW-premiestelling wordt vervangen door differentiatie naar aard van het contract. Bij vaste contracten geldt de lage premie en bij flexibele contracten geldt de hoge premie. De sectorale differentiatie blijft vooralsnog wel gelden voor de ZW- en WGA-premie.

Minder snelle stijging AOW-leeftijd

De AOW-leeftijd stijgt minder snel. Dit betekent dat de AOW-leeftijd zich de komende jaren als volgt ontwikkelt:

Jaar AOW-leeftijd Betreft personen geboren
2020 66 jaar en 4 maanden na 31 augustus 1953 en voor 1 september 1954
2021 66 jaar en 4 maanden na 31 augustus 1954 en voor 1 september 1955
2022 66 jaar en 7 maanden na 31 augustus 1955 en voor 1 juni 1956
2023 66 jaar en 10 maanden na 31 mei 1956 en voor 1 maart 1957
2024 67 jaar na 28 februari 1957 en voor 1 januari 1958

Vanaf 2025 is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting.

 

Korting op lage-inkomensvoordeel (LIV)

Met ingang van 1 januari 2020 wordt het jeugd-LIV gehalveerd. Daarnaast wordt met ingang van 1 januari 2020 het hoge tarief van het LIV gehalveerd van maximaal € 2.000 naar maximaal € 1.000 per jaar. Vanaf 2024 wordt het jeugd-LIV afgeschaft.
 

Vervanging Wet DBA en verscherpte handhaving per 1 januari 2020

De afschaffing van de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) en de (ingevoerde, maar deels niet gehandhaafde) Wet DBA en de zoektocht naar een opvolger van de Wet DBA duren voort. Inmiddels zijn contouren geschetst van de beoogde opvolger van de Wet DBA. Tevens is meer bekend over de handhaving van de Wet DBA door de Belastingdienst. Het handhavingsmoratorium wordt verlengd tot 2021 (maar wordt wel aangescherpt vanaf 2020).
 

Opvolger van de Wet DBA

  • Minimumtarief voor zzp’ers

Het plan is om voor alle zzp’ers een minimumtarief van € 16 per uur (prijspeil 2019) in te voeren, om ervoor te zorgen dat alle zzp’ers genoeg verdienen om in hun noodzakelijke levensbehoeftes te kunnen voorzien. Dit is een alternatief voor de eerder beoogde verplichte arbeidsovereenkomst voor zzp’ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Deze verplichting geldt ook voor particuliere opdrachtgevers. Voor hen is de verantwoordelijkheid echter lichter (de bewijslast ligt bij de opdrachtnemer) dan voor zakelijke opdrachtgevers.

  • Opt-out door zelfstandigenverklaring

Voor zzp’ers aan de bovenkant van de arbeidsmarkt is het plan om een ‘zelfstandigenverklaring’ in te voeren. Opdrachtgevers worden dan gevrijwaard van bepaalde risico’s als de betrokkene later toch als ‘werknemer’ wordt gekwalificeerd. De vrijwaring geldt niet alleen voor de loonheffing en premies voor de werknemersverzekeringen, maar ook voor de loondoorbetalingsplicht bij ziekte, de betaling van pensioenpremies en cao-verplichtingen. Voor gebruik van de zelfstandigenverklaring moet in de overeenkomst van opdracht worden opgenomen dat partijen de bedoeling hebben geen arbeidsovereenkomst te sluiten. Verder moet de arbeidsbeloning minimaal € 75 per uur (prijspeil 2019) bedragen en dient de overeenkomst te worden aangegaan voor maximaal één jaar. Ook moet de opdrachtnemer ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel.

  • Opdrachtgeversverklaring en webmodule

Voor alle zzp’ers zonder een zelfstandigenverklaring blijft nog steeds de vraag van belang of de betrokkene écht een zzp’er is of toch een werknemer. Voor deze groep wordt gewerkt aan een webmodule. Deze maakt het voor opdrachtgevers mogelijk om een opdrachtgeversverklaring te krijgen als uit de beantwoording van de vragen blijkt dat geen sprake is van een dienstbetrekking. Op dit moment bevindt de webmodule zich in de testfase. De opdrachtgeversverklaring is geldig voor zover de webmodule naar waarheid is ingevuld en in de praktijk dienovereenkomstig wordt gewerkt.

 

Verscherpte handhaving vanaf 1 januari 2020

Het huidige handhavingsmoratorium (in het kort: alleen handhaving als sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking en van opzettelijke en evidente schijnzelfstandigheid) wordt verlengd tot 1 januari 2021. Vanaf 1 januari 2020 wordt de handhaving aangescherpt. Vanaf deze datum kan de Belastingdienst ook handhaven wanneer opdrachtgevers aanwijzingen van de Belastingdienst niet (of in onvoldoende mate) binnen een redelijke termijn opvolgen.

De wet treedt in werking in 2021.

 
 
overheid, regering, bestuur den haag, volksvertegenwoordiging,

door100% Salarisverwerking B.V.

Transitievergoeding mag soms in de vrije ruimte

Een transitievergoeding die de werkgever aan een vertrekkende werknemer moet betalen, moet normaal worden belast.

       

Maar soms mag dit loon uit vroegere dienstbetrekking toch in de vrije ruimte en kan het zo voor de werknemer én uw organisatie onbelast blijven.

 
lonen 2020, salarissen 2020, personeelszaken 2020, premies 2020, kosten 2020, liv 2020, lkv 2020, wab 2020, belastingen 2020, loon, salaris, salarisverwerking, loonadministratie,
 
De werkkostenregeling (WKR) is alleen bedoeld voor loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. De werkgever kan een transitievergoeding daarom normaal gesproken niet in de vrije ruimte stoppen, omdat die loon uit vroegere dienstbetrekking is. De werkgever betaalt over de vergoeding geen premies werknemersverzekeringen, maar houdt wel loonbelasting/premie volksverzekeringen in én betaalt de werkgeversheffing voor de Zorgverzekeringswet (ZVW).
 

Eindafrekening is handig moment

Vaak betalen werkgevers de transitievergoeding tegelijk uit met de eindafrekening van een werknemer, met daarin bijvoorbeeld de afkoop van de niet opgenomen vakantiedagen en opgebouwde vakantiebijslag. De werknemer ontvangt dan naast de vergoeding ook loon waarop de arbeidskorting van toepassing is. Alleen in deze situatie mag een werkgever de transitievergoeding aanwijzen als eindheffingsloon.
 

Voldoen aan gebruikelijkheidstoets

Er zit één addertje onder het gras: om de transitievergoeding in de vrije ruimte onder te mogen brengen, moet de vergoeding wel aan de gebruikelijkheidstoets voldoen. Dat betekent dat het gebruikelijk moet zijn dat de werknemer zo’n vergoeding belastingvrij krijgt. De Belastingdienst heeft dit in eerdere specifieke gevallen goedgekeurd. Daarnaast gaat de werkgever 80% eindheffing betalen over het meerdere als hij de grens van de vrije ruimte overschrijdt.
 

Veranderende regels per 2020

Door de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) mogen werkgevers per 1 januari 2020 de transitievergoeding niet meer naar beneden afronden op halve jaren. Een werknemer hoeft ook niet langer minimaal twee jaar in dienst te zijn om recht te hebben op de transitievergoeding. Aan de andere kant hebben oudere werknemers en werknemers met een lang dienstverband geen recht meer op een extra hoge transitievergoeding. Werkgevers kunnen berekenen wat het ontslag vóór en na de invoering van de WAB zal kosten.
 
 

Gerelateerd:

 
De Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) , arbeidsmarkt, werknemer - werkgevers, werkgeverschap, WAB,

door100% Salarisverwerking B.V.

Tweeschijvenstelsel, basistarief en toptarief!

Het invoeren van het tweeschijvenstelsel zorgt ervoor dat het stelsel van (effectief) drie naar twee tarieven gaat.

        
De progressiviteit binnen de schijftarieven neemt hierdoor af. Dat schrijft staatssecretaris Snel van Financiën in antwoord op Kamervragen.

De progressiviteit van het belastingstelsel is echter niet alleen afhankelijk van de schijftarieven, maar hangt ook af van een aantal andere factoren zoals schijflengtes, heffingskortingen en aftrekposten.
Naast de invoering van het tweeschijvenstelsel intensiveert het kabinet ook de heffingskortingen, zoals de ouderenkorting en de arbeidskorting. Het tarief van aftrekposten, waaronder de eigenwoningrenteaftrek en de zelfstandigenaftrek, wordt stapsgewijs verlaagd naar het basistarief. Het progressieve karakter van het stelsel blijft behouden.

salarisverwerking, salarisverwerker, salarisverwerkers,salarisverwerking online, loonadministratie,loon,salaris,salaris oplossingen,loon verwerker,salaris uitbesteden,

Basis- en toptarief

Het basistarief voor de belasting en premie volksverzekeringen samen komt in het regeerakkoord in 2021 uit op 36,95%. Een verlaging van het basistarief met 1%-punt kost € 3,85 miljard (prijzen 2021).
Het toptarief komt in het regeerakkoord in 2021 uit op 49,5%. Een verlaging van het toptarief met 1 %-punt kost € 0,25 miljard (prijzen 2021).

Werken voor iedereen lonender

Als het tweeschijvenstelsel als losstaande maatregel ingevoerd zou worden, zouden de hoogste inkomens relatief en absoluut het meest profiteren. Het tweeschijvenstelsel is echter onderdeel van een breder pakket aan maatregelen dat ervoor zorgt dat werken voor iedereen lonender wordt en dat alle groepen er qua koopkracht op vooruitgaan.

Belastingplichtigen met hoge inkomens ondervinden voordeel van het tweeschijvenstelsel, maar nadeel van bijvoorbeeld het steiler afbouwen van de arbeidskorting en het beperken van het tarief van aftrekposten tot het basistarief.

Belastingplichtigen met inkomens in de huidige eerste schijf ondervinden geen voordeel van het tweeschijvenstelsel, maar bijvoorbeeld wel van het verhogen van de arbeidskorting en algemene heffingskorting.

Samentrekken tarieven

Wat gebeurt er met de schijven zodra de tarieven samengetrokken worden in de tweetaks?
Het samentrekken van een aantal tarieven vermindert het aantal schijven. In de kalenderjaren 2019 en 2020 worden de drie laagste tarieven steeds verder in lijn gebracht, totdat in 2021 het tarief (inclusief premie volksverzekeringen) 36,95% bedraagt. Daarnaast wordt het huidige toptarief in drie stappen verlaagd tot 49,50% in 2021.

Voor belastingplichtigen die gedeeltelijk of in het geheel niet-premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen, zoals AOW-gerechtigden of buitenlands belastingplichtigen, geldt tot een inkomen van € 33.994 (2018) het belastingtarief van de inkomstenbelasting van 9,30% (2021), aangevuld met de op de belastingplichtige van toepassing zijnde premie voor de volkverzekering(en). Dit verschilt niet van de huidige situatie.

Afschaffing aftrekposten

Als alle aftrekposten zouden worden afgeschaft, dan zou het basistarief in het tweeschijvenstelsel met circa 2,9%-punt kunnen dalen in 2021. Hierbij is de doorwerking van de afschaffing in de toeslagen budgettair meegenomen. Na 2021 zou de daling van het basistarief beperkter worden, aangezien de eigenwoningrenteaftrek structureel lager is door de ingroei van annuïtaire aflossing.

Als de huurtoeslag, zorgtoeslag en de kinderopvangtoeslag zouden worden afgeschaft, dan zou het basistarief in het tweeschijvenstelsel met circa 3,6%-punt kunnen dalen in 2021.

zie ook:
Loonstrook aan werknemers

belastingdienst,belastingen, salaris,loon,salarisverwerking,loonadministratie,100%salarisverwerking,belastingzaken,

door100% Salarisverwerking B.V.

Drempel voor grensarbeiders

Nederland in 2019 minder aantrekkelijk voor grensarbeiders uit België en Duitsland door belastingwijziging.
            

Deze werknemers kunnen dan minder makkelijk aanspraak maken op heffingskortingen in de Nederlandse inkomstenbelasting, stelt vakbondsbestuurder Jos Poukens van de Belgische vakbond ACV maandag in Het Financieele Dagblad (FD).

Belgen en Duitsers zullen vanaf 2019 minder snel de grens oversteken om in Nederland te gaan werken. Zij moeten dan meer moeite doen om aanspraak te maken op de heffingskortingen in de Nederlandse inkomstenbelasting. Dat benadeelt niet alleen de grensarbeiders maar pakt ook slecht uit voor Nederlandse werkgevers, waarschuwt de Belgische vakbond ACV.
Vakbondsbestuurder Jos Poukens begrijpt de Nederlandse regering niet. Terwijl de Europese Unie en grensregio’s zich inzetten om grensarbeid eenvoudiger te maken, dreigt Nederland een extra drempel op te werpen, stelt de vertegenwoordiger van de grootste vakbond van België, de ACV. ‘Waarom wil Nederland grensarbeid frustreren’, vraagt Poukens zich af.

Beperken heffingskortingen

Reden voor de verbazing is het kabinetsvoorstel om de heffingskortingen in de inkomstenbelasting voor buitenlandse belastingplichtigen te beperken. Die buitenlanders zijn hoofdzakelijk EU-ingezetenen, onder wie circa 80.000 Belgen en Duitsers.

De Tweede Kamer heeft al ingestemd met de wetswijziging die ertoe leidt dat deze buitenlanders vanaf 2019 meer moeite moeten doen om hun heffingskortingen te krijgen. Alleen de Eerste Kamer, die dinsdag debatteert over de fiscale plannen van het kabinet, kan nog een stokje voor wijziging steken.

minimumloon 2018,loonbelasting,belastingdienst,loon,salaris,loonadministratie,salarisverwerking,salarisverwerker,loonverwerkers

Regel omdraaien

Nu krijgen buitenlandse belastingplichtigen nog vanzelf dezelfde heffingskortingen als Nederlanders. Naast de algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn dat de jongerengehandicaptenkorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting. Buitenlanders van wie achteraf blijkt dat zij geen recht hebben op de kortingen, moeten de belasting die niet is ingehouden door werkgevers of een uitkeringsinstantie alsnog betalen.

Het kabinet wil deze regel omdraaien. Met uitzondering van de arbeidskorting krijgen buitenlandse belastingplichtigen geen heffingskortingen meer tenzij zij daar expliciet om vragen. Dat kan door in Nederland aangifte inkomstenbelasting te doen.

Lager betaalde werknemers

Door de inkomensafhankelijkheid van de kortingen treft de maatregel vooral lager betaalde werknemers, zegt Poukens. Een Belg die netto €20.000 verdient bij bijvoorbeeld VDL Nedcar in Born, gaat er in 2019 op zijn loonstrookje ongeveer €50 per maand op achteruit. ‘Dat is een financiële strop voor deze mensen’, zegt de vakbondsbestuurder. VDL laat weten de gevolgen van de maatregel nog niet goed te kunnen inschatten.

    €50

    Belgische of Duitse werknemer die in Nederland circa €20.000 netto verdient, ziet salaris op loonstrookje in 2019 met €50 per maand dalen.

In antwoord op vragen van CDA-Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt zei staatssecretaris Menno Snel van Financiën dat Belgen deze ‘strop’ kunnen voorkomen. Zij hoeven daarvoor niet te wachten tot de belastingaangifte over 2019 maar kunnen de kortingen waarop zij recht hebben meteen op hun rekening gestort krijgen door een voorlopige aanslag voor 2019 aan te vragen bij de Belastingdienst, aldus de D66-bewindsman. Voor Duitsers geldt dat trouwens niet. Omtzigt drong er op aan hun ook die mogelijkheid te bieden. Maar daarvoor moet het belastingverdrag met Duitland worden veranderd.

Aparte loonadministratie

Volgens Poukens gaan de politici eraan voorbij dat het voor lager betaalde grensarbeiders niet eenvoudig is om in Nederland belastingaangifte te doen of een voorlopige aanslag aan te vragen. Zij zullen daarvoor deskundigen moeten inhuren, zegt hij. Zijn vrees is dat menig grensarbeider zijn kortingen zal mislopen: ‘De maatregel treft lager betaalden en zij worden het bos ingestuurd.’

Maar ook Nederlandse werkgevers, zoals Nedcar, worden volgens Poukens getroffen. Belgen en Duitsers zullen zich minder snel laten verleiden om in Nederland te gaan werken, zegt hij, terwijl grensarbeid toch al op veel complexe regels stuit. De werkgevers moeten bovendien een aparte loonadministratie gaan bijhouden voor buitenlandse werknemers, meent hij. Ten slotte voorspelt hij dat de Nederlandse Belastingdienst zijn handen nog vol krijgt aan de buitenlandse belastingaangiftes en -aanvragen.

salarisverwerking, salarisverwerkers, salarisverwerker, salarisadministratie, loonverwerker, loonverwerkers, loonadministratie, salaris administratie, salaris en loon regelingen, loonbelasting, loonpremies, salaris, ,loonregelingen, salaris premies, loonbelastingen, loon berekeningen, salaris berekening, personeelskosten, personeelspremies, administratie personeel,

door100% Salarisverwerking B.V.

Koopkrachtstijging van 4 tot 6 procent voor werkende Nederlander

Nibud : In 2021 koopkrachtstijging 4 tot 6 procent

    

Het op 10 oktober gepresenteerde regeerakkoord van het kabinet-Rutte III betekent – als het ook zo wordt uitgevoerd – in 2021 een koopkrachtstijging voor alle werkenden. 
De stijging varieert van een kleine 4 tot een ruime 6 procent in de komende vier jaar. Hogere inkomens gaan er meer op vooruit dan lagere inkomens.

salarisverwerking,loonadministratie,uitbesteden loonadministratie,salarisverwerkers,loonverwerking uitbesteden,cloud loon,salaris in de cloud,verwerking personeel,personeel premies,goedkoop hrm management, ess,verzuimregistratie,pensioenen,urenlijsten,personeelsbestanden,
Dat blijkt uit berekeningen van het Nibud dat in opdracht van de Tweede Kamer het regeerakkoord heeft doorgerekend. Het instituut schetst aan de hand van bijna honderd veel voorkomende voorbeeldhuishoudens een beeld van de bedragen die deze huishoudens in 2021 meer of minder te besteden hebben in vergelijking met dit jaar.

Werkenden erop vooruit

Alle werkenden gaan erop vooruit. Hun koopkracht stijgt – afhankelijk van hun situatie – met zo’n 4 tot 6 procent in de komende vier jaar. Dit komt omdat de verwachte loonstijging hoger is dan de prijsstijging. Werkenden profiteren ook van de hogere arbeidskorting en lagere belastingtarieven.

Werkenden met een relatief laag inkomen tot 20.000 euro per jaar hebben een minder grote koopkrachtstijging, omdat het grootste deel van hun inkomen in de eerste belastingschijf valt. En dit belastingtarief stijgt waardoor ze meer belasting betalen in 2021. De verandering van het belastingstelsel is wel gunstig voor middeninkomens en hoge inkomens: zij betalen hierdoor juist iets minder belasting.

Nauwelijks verbetering voor bijstandsgerechtigden

Het Nibud ziet dat door de plannen in het regeerakkoord huishoudens met een bijstandsuitkering er nauwelijks op vooruit gaan. Een alleenstaande in de bijstand heeft in 2021 per maand 21 euro meer te besteden dan dit jaar. Voor een alleenstaande met een kind is dat 15 euro.

De koopkracht van mensen met een bijstandsuitkering stijgt nauwelijks doordat zij geen voordeel hebben van de hogere arbeidskorting en omdat de uitkeringen minder stijgen dan de lonen. De koopkrachtvooruitgang van bijstandsgerechtigden bedraagt over vier jaar minder dan 2 procent.

Btw-verhoging

Het kabinet wil het lage btw-tarief verhogen van 6 procent naar 9 procent. In dit btw-tarief zit een aantal producten en diensten dat als noodzakelijk wordt gezien, zoals voedingsmiddelen. De btw-verhoging leidt tot een verhoging van de inflatie van ca. 0,7 procentpunt. Dit algemene inflatiecijfer heeft het Nibud meegenomen in de koopkrachtberekeningen. Voor een paar in de bijstand met twee kinderen is dat zo’n 15 euro in de maand.

Gemiddeld besteden huishoudens ongeveer 20 procent van hun budget aan goederen en diensten in het lage btw-tarief. Sommige huishoudens geven echter meer dan 20 procent van hun budget uit aan goederen en artikelen in het lage btw-tarief en zij hebben dus extra nadeel van de btw-verhoging.

Voor een paar in de bijstand met twee kinderen is een budgetaandeel van 27 procent in het lage tarief een realistische schatting. Uit de berekeningen van het Nibud blijkt dat deze verhouding het gezin in de bijstand met twee kinderen 5 euro extra per maand kost. In 2021 heeft dit gezin te maken met een koopkrachtstijging van 45 euro per maand in vergelijking met dit jaar, als we uitgaan van de gemiddelde uitgaven bij de supermarkt. Maar als we meenemen dat dit huishouden procentueel gezien meer kosten aan voeding heeft, gaan ze er vijf euro minder op vooruit en hebben ze in 2021 40 euro meer te besteden dan dit jaar.

Rijke gepensioneerden in de min

Huishoudens boven de AOW-leeftijd profiteren niet van de loonstijging. De AOW stijgt wel de komende vier jaar, maar de verwachting is dat de aanvullende pensioenen nauwelijks omhoog gaan de komende jaren. Hierdoor is het voor AOW-gerechtigden met een aanvullend pensioen vaak lastig om de verwachte prijsstijgingen op te vangen en ziet het Nibud dat met name ouderen met een hoog aanvullend pensioen erop achteruit gaan in 2021.

Het regeerakkoord bevat ook maatregelen om de koopkracht van ouderen te ondersteunen. Zo wordt de ouderenkorting verhoogd en wordt die minder snel afgebouwd. Dit is met name voordelig voor ouderen met alleen AOW of met AOW en een klein aanvullend pensioen: voor hen ziet het Nibud nog wel een kleine koopkrachtstijging.

Huishoudens met kinderen in de plus

Huishoudens met kinderen profiteren van de verhoging van de kinderbijslag en het inkomensafhankelijke kindgebonden budget. De afbouw van het kindgebonden budget begint nu nog bij een bruto jaarinkomen van 20.000 euro, straks is dat voor paren ruim 39.000 euro. Ook stijgt het kindgebonden budget voor het tweede kind.

Huishoudens waar één van beide partners werkt, blijven dit keer niet achter bij huishoudens waar beide partners werken. Een stel met een kind, waarvan één partner werkt en 40.000 euro per jaar verdient, gaat er 6,8 procent op vooruit en heeft daarmee over vier jaar 172 euro per maand meer te besteden dan nu. De afgelopen jaren kwam de alleenverdiener er over het algemeen minder goed vanaf dan een stel waarvan beide partners werkten.

Afschaffing grens huurtoeslag gunstig

Een van de plannen in het regeerakkoord is het afschaffen van de inkomensgrenzen in de huurtoeslag. Nu krijg je bij een bepaald inkomen helemaal geen huurtoeslag meer, vanaf 2021 wordt dat geleidelijk minder. Hoe hoger het inkomen hoe lager de huurtoeslag wordt.

Deze maatregel zorgt ervoor dat huishoudens die nu geen recht op huurtoeslag hebben, dat in 2021 wel hebben. Dit kan voor sommige huishoudens heel gunstig uitpakken en meer dan 160 euro per maand schelen. Een alleenstaande oudere met AOW en een aanvullend pensioen van 7500 euro gaat er in 2021 bijna 10 procent op vooruit, dit is 166 euro per maand. Maar als diegene in een woning woonde zonder huurtoeslag zou hij er slechts 1,6 procent, 27 euro per maand, op vooruit gaan.

Huiseigenaren lagere koopkrachtstijging dan huurders

Uit de berekeningen van het Nibud blijkt dat huishoudens met een eigen woning en hypotheek een iets minder hogere koopkrachtstijging hebben dan niet- woningbezitters met eenzelfde woonlast. Huizenbezitters ondervinden nadeel van de lagere belastingtarieven en van de afbouw van de hypotheekrenteaftrek.

Hoe hoger de hypotheek, hoe kleiner de koopkrachtstijging.

Daarnaast wordt vanaf 2019 de wet-Hillen in dertig jaar afgebouwd. Dit betekent dat huishoudens die hun hypotheek volledig hebben afgelost in 2021 10 procent van het eigenwoningforfait moeten optellen bij hun inkomen in box 1. Het effect hiervan is afhankelijk van het inkomen en de waarde van de woning. Het kan variëren van 0 euro, als men niet alle heffingskortingen kan verzilveren, tot bijvoorbeeld min 163 euro per jaar bij een inkomen van 70.000 euro en een woningwaarde van 600.000 euro.

Voorbeeldberekeningen

Koopkrachtontwikkeling voor 2021 (bedragen netto per maand)

Download PDF: Nibud-koopkrachtberekeningen-op-basis-van-het-regeerakkoord-van-het-kabinet-Rutte-III-2017-2021
Download PDF: Nibud-koopkracht-2017-2021-overzicht-voorbeelden

De achtergronden bij deze voorbeeldberekeningen vindt u in het rapport op nibud.nl. Daarin vindt u voor bijna honderd andere voorbeelden koopkrachtberekeningen. De term koopkrachtontwikkeling staat voor de hoeveelheid goederen en diensten die met het netto inkomen kunnen worden gekocht in vergelijking met vorige jaren.

Koopkrachtcijfers voor 2021

Het Nibud geeft als kanttekening bij deze cijfers aan dat er tussen 2017 en 2021 nog veel kan veranderen. De plannen van het kabinet kunnen nog worden gewijzigd gedurende de komende jaren, de economie ontwikkelt zich continu en binnen huishoudens kan er ook nog veel veranderen. Daarom publiceert het Nibud zelf twee keer per jaar koopkrachtplaatjes.

In januari 2018 berekent het Nibud hoe de portemonnee van de Nederlandse huishoudens eruit ziet ten opzichte van 2017 en wordt inzichtelijk welke huishoudens volgend jaar rekening moeten houden met een koopkrachtdaling- of stijging.

Achtergronden bij de berekeningen

De koopkrachtverschillen zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. Fiscale voordelen, vakantiegeld, kinderbijslag en dergelijke zijn al bij het netto maandbedrag geteld. Bij de bedragen is het Nibud uitgegaan van een inflatie van 9,3 procent, een stijging van de zorgpremie en bruto loonontwikkeling van 13,2 procent. Alle fiscale regelingen van 2017 tot en met 2021 zijn gebruikt. We zijn er vanuit gegaan dat alle toeslagen en inkomensondersteuning worden aangevraagd. De hier genoemde huishoudens zijn slechts voorbeelden, waarbij de situatie simpel is gehouden. Er is geen rekening gehouden met wijzigingen in de bijzondere bijstand of de gezondheidssituatie van mensen. Er is ook geen rekening gehouden met specifieke aftrekposten of bijtellingen. De berekeningen gaan uit van een huishouden dat niet van samenstelling verandert en waarin ook de arbeidssituatie hetzelfde blijft. In werkelijkheid gebeurt er natuurlijk veel meer in een huishouden. Promotie, veranderen van baan, (gedeeltelijk) stoppen met werken, gezinsuitbreiding e.d. zijn gebeurtenissen die veel meer van invloed zijn op het besteedbare inkomen van huishoudens dan fiscale maatregelen. Als gevolg van het bovenstaande zullen huishoudens zich nooit helemaal herkennen in de hier gegeven voorbeelden.

salaris,loon,coa loon,coa salaris,salaris cao,loon cao,betere cao,cao verloning,wet en regelgeving cao,

close

Veel lees plezier? Delen mag.