Tag archief pensioenfondsen

door100% Salarisverwerking B.V.

Handreiking gebruikelijk loon (update 4 januari 2021)

Voor wie geldt nu de gebruikelijkloonregeling?
                  
Hoe bepaalt u het gebruikelijk loon en in welke gevallen mag u het gebruikelijk loon lager vaststellen dan €47.000?
In deze handreiking vindt u antwoord op deze vragen.

 

De gebruikelijkloonregeling geldt voor een persoon die werkt voor een vennootschap of een coöperatie waarin hij of zijn fiscale partner een aanmerkelijk belang heeft.

 

Aanmerkelijk belang

Iemand is aandeelhouder met een aanmerkelijk belang als hij (eventueel met zijn fiscale partner):

  • 5% of meer van de aandelen heeft in een vennootschap
  • rechten heeft om voor 5% of meer aandelen in de vennootschap te kopen
  • winstbewijzen heeft om 5% of meer van de jaarwinst – of van een uitkering bij liquidatie – van de vennootschap te krijgen
  • voor 5% of meer stemrecht heeft in de algemene vergadering van een coöperatie of een vereniging op coöperatieve grondslag

 

Fiscale partner

De fiscale partner van de aanmerkelijkbelanghouder (ab-houder) is:

  • de echtgenoot of geregistreerd partner
  • degene met wie de aanmerkelijkbelanghouder op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen

Als de laatste situatie van toepassing is, moeten de ab-houder en zijn partner ook voldoen aan één van de volgende voorwaarden:

  • Ze hebben een notarieel samenlevingscontract. Beiden moeten meerderjarig zijn.
  • Ze hebben samen een kind.
  • Eén van hen heeft een kind dat de ander heeft erkend.
  • Beiden zijn meerderjarig en een van hen heeft een minderjarig kind dat op hetzelfde adres staat ingeschreven. Als de ab-houder en zijn partner een zakelijke huurovereenkomst hebben, zijn ze in dit geval géén fiscaal partners.
  • Ze staan als partners geregistreerd bij een pensioenfonds.
  • Ze zijn beiden eigenaar van de woning die hun hoofdverblijf is.
  • Ze waren in voorgaand jaar al fiscale partners.

Voldoen de ab-houder en zijn partner slechts een deel van het jaar aan de voorwaarden? Dan kunnen zij kiezen om het hele jaar fiscale partners te zijn. Staan zij het hele jaar samen in de Basisregistratie Personen ingeschreven? Dan kunnen zij niet kiezen: zij zijn dan het hele jaar fiscale partners.
 

Hoe bepaalt u de hoogte van het gebruikelijk loon?

Een ab-houder moet een loon ontvangen dat gebruikelijk is voor de werkzaamheden die hij verricht. De gebruikelijkloonregeling bepaalt hoe hoog het loon van de ab-houder minimaal moet zijn. Hieronder leest u hoe u dit beoordeelt.

Een ab-houder moet een loon in aanmerking nemen dat het hoogste is van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking
  • het loon van de meestverdienende werknemer van de vennootschap of van een verbonden vennootschap
  • een minimumbedrag, elk jaar opnieuw vastgesteld door het ministerie van Financiën. Voor 2021 is dit €47.000. Voor 2020 was dit €46.000. Voor 2017, 2018 en 2019 was het gebruikelijk loon €45.000.

Let op! In de volgende gevallen mag u het loon op een lager bedrag vaststellen:

  • U maakt aannemelijk dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan €47.000. U stelt het loon dan vast op 100% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
  • U maakt aannemelijk dat 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan het loon van de meestverdienende werknemer of van een verbonden lichaam.

 
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, SZW, Overheid, financiën Overheid, kabinet

 
De meest vergelijkbare dienstbetrekking
Een werknemer met de meest vergelijkbare dienstbetrekking hoeft niet precies hetzelfde werk te doen. Het is bijvoorbeeld mogelijk om het loon van een orthodontist vast te stellen op basis van het loon van een tandarts.

Vóór 2015 moest u onderzoeken wat het loon was van een werknemer met een soortgelijke dienstbetrekking. Een soortgelijke dienstbetrekking kan ontbreken maar een meest vergelijkbare dienstbetrekking bestaat altijd.

Voorbeeld 1
Het loon van de meestverdienende werknemer is €50.000. U maakt aannemelijk dat een andere dienstbetrekking meer vergelijkbaar is met de dienstbetrekking van de ab-houder. Het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking is €40.000. Dat is lager dan €47.000. U stelt het loon vast op €40.000.

Voorbeeld 2
Het loon van de meestverdienende werknemer is €90.000. U maakt aannemelijk dat een andere dienstbetrekking meer vergelijkbaar is met de dienstbetrekking van de ab-houder. Het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking is €70.000. De ab-houder kan zijn gebruikelijk loon vaststellen op €52.500 (75% van €70.000).

 

Deeltijd

Als een ab-houder in deeltijd werkt of als hij niet het hele jaar gewerkt heeft, mag u hier rekening mee houden bij het vaststellen van het loon. U moet dit wel aannemelijk kunnen maken.

Deeltijdfactor en doelmatigheidsmarge
Als een ab-houder in deeltijd werkt, moet u eerst de deeltijdfactor toepassen. Als het deeltijdloon hoger is dan €47.000 mag u daarna de doelmatigheidsmarge van 25% toepassen. Het loon mag niet lager worden dan €47.000.

Voorbeeld
Een ab-houder werkt 40% voor zijn bv. Het gebruikelijk loon voor een fulltime functie bedraagt €50.000. U mag het gebruikelijk loon vaststellen op € 20.000. Omdat het loon minder is dan €47.000 mag u geen rekening houden met de doelmatigheidsmarge.

U mag dus niet eerst het loon verminderen met de doelmatigheidsmarge en dan 40 % van €47.000 = €18.400 als gebruikelijk loon aanmerken. De volgorde is 40 % van €50.000 = €20.000. Er is geen ruimte meer voor de doelmatigheidsmarge.

 

Structureel verlies

U kunt het gebruikelijk loon verlagen als u aannemelijk kunt maken dat het bedrijf meerdere jaren achter elkaar verlies leidt en het voortbestaan van het bedrijf daardoor in gevaar komt. De loonsverlaging is dan nodig om ervoor te zorgen dat het bedrijf kan blijven draaien. U mag het loon van de ab-houder niet lager vaststellen dan het wettelijk minimumloon.

U mag het gebruikelijk loon niet verlagen als de slechte financiële positie van de bv is veroorzaakt door een hoge rekening-courantschuld van de ab-houder aan de bv. Ook als het verlies is ontstaan door onzakelijke uitgaven mag u het gebruikelijk loon niet lager vaststellen.

 

Starters

U mag uitgaan van een lager loon als de bv het gebruikelijk loon door het opstarten van de onderneming niet kan betalen, bijvoorbeeld omdat de bv veel heeft geïnvesteerd of een lage cashflow heeft. U mag dit maximaal 3 jaar doen vanaf het moment dat de vennootschap of coöperatie inhoudingsplichtig wordt. U mag het loon niet lager vaststellen dan het wettelijk minimumloon.

 

Start-ups

Voor ab-houders die werken voor innovatieve start-ups geldt vanaf 2017 een versoepelde gebruikelijkloonregeling. Als de bv voldoet aan de voorwaarden mag u het gebruikelijk loon maximaal 3 jaar vaststellen op het wettelijk minimumloon.
De voorwaarden vindt u in paragraaf 16.1 van het Handboek Loonheffingen onder het kopje ‘Start-ups’.

 

Pensioenopbouw

Een (tijdelijke) verlaging van het gebruikelijk loon heeft gevolgen voor de pensioenopbouw. Een dga bouwt namelijk alleen pensioen op over het loon dat hij daadwerkelijk genoten heeft.

 

Andere inkomsten

Ontvangt een ab-houder naast loon andere inkomsten zoals pensioen, lijfrente, levensloop of een WIA-uitkering? Hiermee houdt u geen rekening bij het vaststellen van het gebruikelijk loon. Ook niet als de werknemer deze uitkeringen uit de bv ontvangt.

 

Werken voor meerdere concernonderdelen

Is een ab-houder in dienst bij een management-bv en werkt hij vanuit deze bv voor andere concernonderdelen? Dan mag u het gebruikelijk loon bepalen op basis van alle werkzaamheden die de ab-houder voor het concern verricht. U hoeft het gebruikelijk loon niet per vennootschap vast te stellen.

 

Gebruikelijk loon €5.000 of lager

Krijgt een ab-houder geen loon voor zijn werkzaamheden en is een loon dat gebruikelijk is voor zijn werkzaamheden niet hoger dan €5.000? Dan hoeft u hierover geen loonheffingen in te houden. De grens van €5.000 toetst u niet per bv maar geldt voor alle werkzaamheden van de ab-houder.

 

Welke loonbestanddelen tellen mee?

Het begrip loon voor de gebruikelijkloonregeling is het loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen (kolom 14 van de loonstaat). Dit is dus inclusief loon in natura, zoals de bijtelling voor privégebruik auto, en na toepassing van de wettelijke vrijstellingen, zoals de vrijstelling van pensioenpremie.

Onder loon vallen ook loonbestanddelen die zijn aangewezen als eindheffingsloon en onder de werkkostenregeling vallen. Deze loonbestanddelen moeten dan individualiseerbaar zijn. Een bonus die onder de vrije ruimte valt en een reiskostenvergoeding die onder de gerichte vrijstellingen valt, tellen bijvoorbeeld ook mee voor het gebruikelijk loon.

 

Fictief loon

Ontvangt een ab-houder een lager loon dan gebruikelijk voor zijn werk? Het verschil tussen het loon dat de ab-houder ontvangen heeft en wat gebruikelijk is, is fictief loon. Over het fictief loon berekent u loonheffingen. De werknemer is dus loonheffingen verschuldigd over loon dat hij niet ontvangen heeft.

Als een ab-houder helemaal geen loon ontvangt, moet u het gehele gebruikelijke loon als fictief loon behandelen.

U geeft het fictief loon uiterlijk aan in de laatste aangifte van het kalenderjaar.

 

Afspraken over een gebruikelijk loon

Wilt u zekerheid over de hoogte van het gebruikelijk loon? Dien dan een verzoek om vooroverleg in bij de Belastingdienst. Het verzoek moet de volgende informatie bevatten:

  • basisgegevens van de aanvrager
  • de kwestie waarover u een standpunt vraagt
  • alle relevante feiten en omstandigheden
  • de fiscale gevolgen van uw toekomstige handelingen.

 
Zie voor de regels waaraan het vooroverleg moet voldoen het Besluit Fiscaal Bestuursrecht, BLKB2016-19, paragraaf 3.

U kunt ook het standaardformulier ‘Verzoek vooroverleg’ gebruiken. Het standaardformulier helpt u om het verzoek om vooroverleg goed én volledig in te dienen, waardoor de Belastingdienst het sneller in behandeling kan nemen.

 

Handboek loonheffingen

Meer over de gebruikelijkloonregeling leest u in paragraaf16.1 Handboek Loonheffingen.

 

Wetsartikel

Artikel 12a Wet LB
 
 

Gerelateerde handreiking

De weg naar het gebruikelijk loon
DGA & Pensioen!
DGA Loon na loonaangifte
Antwoorden gebruikelijk loon – Webinar corona
Handreiking gebruikelijkloonregeling vernieuwd
Nieuwsbrief Loonheffingen 2021
 
 
Nieuwsbrief Loonheffingen 2021, loonheffingen 2021, belastingdienst 2021, LIV,LKV,jeugd LIV,studietoelage, loon,salaris,pensioen,premies 2021,

door100% Salarisverwerking B.V.

Zelf pensioen opbouwen

Let op deze valkuil, als u zelf pensioen opbouwt en u geld verplicht in een uitkeringsproduct moet stoppen.
        
Er is veel te doen om de houdbaarheid van het Nederlandse pensioenstelsel. Maar daarbij gaat het wel om een specifiek soort pensioen, waarbij fondsen van werkgevers een toezegging doen over de hoogte van de toekomstige uitkering.

Voor veel zelfstandige ondernemers en ook voor een dele van de werknemers spelen echter volstrekt andere vragen rond het pensioen. En zij lopen misschien nog wel meer risico dan werknemers met een klassiek pensioenfonds.

De pensioenopbouw van Nederlanders bestaat in principe uit drie elementen:

  1. Het staatspensioen dat je via de AOW-uitkering krijgt
  2. Het pensioen dat je opbouwt bij een pensioenfonds van een werkgever
  3. Een potje voor later dat je zelf via sparen of beleggen regelt

Bij de zogenoemde tweede pijler heb je eigenlijk twee soorten pensioen. Aan de ene kant zijn er fondsen die een toezegging doen over de toekomstige uitkering. Bijvoorbeeld: het fonds baseert de toegezegde uitkering op de aanname dat je samen met de AOW zo’n 70 procent van je gemiddelde loon als pensioen overhoudt. Veruit de meeste werknemers hebben een zo’n pensioenregeling, die ook wel defined benefit wordt genoemd.
 

Pensioenpot voor eigen risico opbouwen, met fiscaal voordeel

Maar er zijn ook werkgeversregelingen waarbij er premies worden gestort in een persoonlijke beleggingspot. Aan het eind van de rit bepaalt de omvang van die beleggingspot hoe groot je uitkering wordt. Het beleggingsrisico ligt bij de werknemer.

Dit laatste betekent ook dat ‘kortingen’ niet aan de orde zijn, simpelweg omdat er geen toezegging is over de hoogte van de pensioenuitkering. Dit heeft in jargon defined contribution.

Zogenoemde defined contribution-regelingen lijken sterk op pensioen dat zzp’ers opbouwen (of werknemers met een pensioengat) als ze dat individueel doen op basis van een fiscaal gunstige regeling, zoals banksparen of fiscaal vriendelijk beleggen.

Voor het opbouwen van pensioen via een fiscaal vriendelijke regeling zijn er twee grote belastingvoordelen: in de opbouwfase betaal je geen vermogensrendementsheffing in box 3 én je kan je inleg aftrekken van je inkomen in box 1.

Je kunt dus rekenen op een hoger rendement op je beleggingen, omdat de fiscus het vermogen niet belast. En je kunt netto meer inleggen, omdat je de bruto inleg kunt gebruiken als aftrekpost in box 1.

 

Lage rente is risico als je met pensioen gaat

Maar nu komt het: er zit een belangrijke voorwaarde aan de fiscaal vriendelijke pensioenopbouw. Wanneer je straks met pensioen gaat, moet je het opgebouwde vermogen in een uitkeringsproduct stoppen bij een verzekeraar. Daarmee heb je straks gedurende een af te spreken periode een gegarandeerde bruto uitkering. Die uitkeringen, gedurende bijvoorbeeld 20 jaar of levenslange uitkeringen, worden straks wél belast met inkomstenbelasting in box 1.

De hoogte van de bruto uitkering is echter afhankelijk van het renteniveau op het moment dat je met pensioen gaat. Als de rente zoals nu erg laag is, heb je flink pech en krijg je op termijn een relatief lage uitkering.

Hier ligt een belangrijke overeenkomst tussen individuele regelingen om fiscaal vriendelijke pensioen op te bouwen en de zogenoemde defined contribution-regelingen van werkgevers. Pensioenadviseur AON geeft daar in zijn deze week gepubliceerde Pensioenvergelijker een goed voorbeeld van.

Zo heeft AON een aantal scenario’s doorgerekend waarin het pensioen van een werknemer met een modaal salaris van 2.855 euro bruto per maand wordt gevolgd. Voor een 40-jarige werknemer die begint met pensioen opbouwen geldt dan dat die bij een klassiek pensioenfonds op een toegezegde uitkering van naar schatting 1.019 euro bruto per maand kan rekenen. Vergeleken met twee jaar eerder is dan sprake van 47 euro extra pensioen per maand.

Als deze werknemer echter pensioen opbouwt dat aan het eind van de rit in een uitkeringsproduct terecht komt, is de werknemer afhankelijk van de rentestand van dat moment. Bij de huidige lage markrentes levert dit een maandelijkse uitkering van 818 euro bruto op. Dit is fors lager dan twee jaar geleden toen bij een hogere rente sprake was van 856 euro bruto per maand.

Door de daling van de rente is de waarde van het pensioen op basis van een uitkeringsproduct met 38 euro per maand gedaald. Als je even doorrekent: dat is 456 euro per jaar en over een termijn van twintig jaar gerekend is dat toch 9.120 euro minder pensioen.

Kortom, er wordt veel geklaagd over dreigende kortingen voor werknemers die aangesloten zijn bij klassieke pensioenfondsen. Maar werknemers en ondernemers die via fiscale producten pensioen opbouwen, voelen de pijn van de lage rente al veel concreter.

 

Bron:BI

 

Zie ook:

Afkoop pensioen in eigen beheer nog mogelijk in 2019
Jeugd-LIV ten einde door Pensioenakkoord?
Mannen meer pensioen dan vrouwen!
Verplicht bij de pensioenregeling van de baas?
 

loonadministratie, salarisverwerking, salarisverwerker,loonverwerking,loonverwerker, loonverwerkers, salarisverwerkers, online salarisverwerking, uitbesteden loonadministratie, online salarisverwerking, digitale loonadministratie, ,

door100% Salarisverwerking B.V.

AOW-leeftijd en levensverwachting gekoppeld!

Het Kabinet gaat koppeling AOW-leeftijd en levensverwachting onderzoeken

                       
Het kabinet gaat onderzoeken hoe de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting kan worden losgelaten. Nu nog moet voor elk jaar dat mensen gemiddeld langer leven een jaar langer worden gewerkt, maar dat vindt een Kamermeerderheid onhoudbaar.

Daarmee lijkt een eerste stap genomen om de vastgelopen pensioenonderhandelingen nieuw leven in te blazen. De vakbonden hadden geëist dat in de toekomst voor elk gewonnen levensjaar slechts een half jaar langer wordt gewerkt, maar daar wilde het kabinet zich niet op vastpinnen, omdat dit al gauw zes miljard euro per jaar kost.

salarisadministratie,loonadministratie,100% loon,100%salaris,loonverwerker,salarisverwerker,loon en salaris verwerking,wet en regelgeving personeel,personeelsdossier,hr ondersteuning,lease auto,lease concepten,payrolling,payroll,hrm scan,nmbrs salaris en loon registratie, verzuim oplossingen,ziekte registratie,verzekeringen personeel - ondernemers,personeelsverzekeringen,wet en regelgeving personeel,ess,verzuimregistratie,digitaal personeelsdossier,werk en zekerheid personeel,

Op dit moment is afgesproken dat over een paar jaar de AOW-leeftijd stijgt als de levensverwachting stijgt. Tijdens de pensioenonderhandelingen wilden de vakbonden dat deze afspraak deels zou worden teruggedraaid en dat bij een stijging van de levensverwachting met een jaar, de AOW-leeftijd maar met zes maanden zou stijgen.

Dit laatste punt werd gaandeweg een harde eis van vakbond FNV. Het kabinet heeft uiteindelijk water bij de wijn gedaan en gezegd dat het onderwerp bespreekbaar was. Het kabinet wilde de afspraak echter niet financieel vastleggen en de kwestie aan een volgend kabinet overlaten. Dit omdat de eis van de FNV op termijn zes miljard euro kost. De FNV nam geen genoegen met de toezegging en stapte uit de onderhandelingen.

Verkiezingen

Premier Rutte bleef er in het Kamerdebat bij dat dit kabinet zo’n deal niet wil sluiten.

“Dit soort grote vraagstukken moet je afspreken bij het maken van een regeerakkoord”, zei hij. “Vraag niet aan een zittend kabinet om nog zes miljard euro in de begroting te vinden. Dat is zelfs niet democratisch. Dit moet als onderwerp meegenomen worden bij verkiezingen.”

Het kabinet gaat nu dus wel op verzoek van de Kamer onderzoeken hoe het verloop van de levensverwachting in de toekomst zal zijn, welke gevolgen het heeft om een steeds langer werkende beroepsbevolking te hebben en wat het kost om de koppeling tussen AOW-leeftijd en levensverwachting (deels) los te laten.

Onvoldoende steun

Een voorstel van GroenLinks en de SP om de strengere eisen aan de pensioenreserves van pensioenfondsen twee jaar uit te stellen kreeg onvoldoende steun. De drie linkse partijen wilden hiermee voorkomen dat al in 2020 relatief slecht presterende pensioenfondsen hun pensioenuitkeringen moeten verlagen. Die twee jaar ‘respijt’ zouden dan kunnen worden gebruikt om alsnog een pensioenakkoord te bereiken.

Premier Rutte en minister Koolmees van Sociale Zaken zeiden er “met een open blik” naar te gaan kijken, maar lieten duidelijk merken er niets voor te voelen. “Ik heb hier een echte zorg bij”, zei Rutte.

Zware beroepen

De twee linkse partijen hebben verder uitgesproken dat ze willen dat het kabinet bij eventuele nieuwe pensioenonderhandelingen drie zaken regelt: een pensioen voor zzp’ers en andere werkenden zonder pensioen, vervroegde AOW voor mensen met zware beroepen en het niet een op een koppelen van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting.

Het kabinet gaat zich beraden op wat er moet gebeuren na het mislukken van de pensioenonderhandelingen.

Bron: NOS

stijging pensioenleeftijd, AOW-leeftijd verhoogd,

door100% Salarisverwerking B.V.

Koopkracht nagenoeg gelijk in 2018

Het compenseren van koopkracht voor gepensioneerden, zoals het demissionaire kabinet in de laatste begroting voor 2018 heeft afgesproken.   

Is om meerdere redenen een slecht idee en niet voor herhaling vatbaar. Dat stelt de Raad van State in haar jaarlijkse advies over de rijksbegroting.

Het adviesorgaan onder leiding van CDA’er Piet-Hein Donner omarmt de conclusie die het kabinet zelf in de Miljoenennota trekt: dat koopkrachtreparatie voor gepensioneerden,, erkenden dubbel raakt. Zij betalen die reparatie, maar eveneens valt hun toekomstige koopkracht lager uit”.

Omdat pensioenfondsen in de afgelopen jaren de uitkeringen aan gepensioneerden niet hebben laten meegroeien met de inflatie (indexeren), staan toekomstige pensioenuitkeringen ook op een lager niveau.

Tussen de regels van het advies is ook te lezen dat de Raad van State het niet als „de taak van de overheid” ziet om koopkracht (hoeveel een huishouden kan kopen) voor gepensioneerden te compenseren als pensioenfondsen besluiten om pensioenuitkeringen niet te indexeren – ook het kabinet noemt dit dilemma in de Miljoenennota.

Het Centraal Planbureau beraamde eerder dit jaar dat uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden in 2018 in koopkracht achteruit dreigen te gaan. Om die reden besloot het scheidend kabinet Rutte II om in zijn laatste begroting 425 miljoen euro in te ruimen om de bestedingsruimte voor deze „kwetsbare groepen” te verhogen. Voor gepensioneerden zou dat gaan om ruim 100 miljoen euro. Een dergelijke koopkrachtreparatie „moet geen standaard worden”, schrijft Donner (69) in zijn advies. De koopkrachtontwikkeling volgens het Nibud gaat 18 procent van de huishoudens er op achteruit of blijft gelijk in koopkracht. Dat betekent dus dat 82 procent erop vooruit gaat volgend jaar.

Stijgende zorgkosten

De Raad van State heeft meer kritische opmerkingen en waarschuwingen bij de Miljoenennota. De ontwikkeling van het begrotingssaldo en de staatsschuld zijn weliswaar „zonder meer gunstig” – Nederland voldoet voor het eerst in jaren aan alle Brusselse begrotingsnormen. De overheidsfinanciën zijn door een aantal factoren toch ook uitermate kwetsbaar, schrijft de Raad van State. Zo waarschuwt Donner met name voor de oplopende kosten van de gezondheidszorg. Deze „aanzienlijke uitgavenstijging” (met 4,1 procent per jaar) zal leiden tot „verdringing van andere uitgaven, achterblijvende koopkracht„ en beperking van het besteedbare inkomen”.

Daarnaast is er in de komende jaren veel geld nodig voor enkele majeure hervormingen: van het belastingstelsel bijvoorbeeld en op de arbeidsmarkt. En zullen werknemers, zowel in overheids- als in private dienst, door de doorzettende economische groei meer loongroei eisen. Dit zal „waarschijnlijk ook leiden tot hogere overheidsbestedingen”.

Verschillende internationale verdragen zullen het komende kabinet eveneens tot „omvangrijke hogere uitgaven” dwingen. De Navo-norm vraagt om een hoger budget voor defensie en om te voldoen aan het klimaatverdrag van Parijs zullen er miljarden nodig zijn.

Al met al trekt de Raad van State dezelfde conclusie als de onderhandelende partijen aan de formatietafel in de afgelopen maanden ook al trokken: de overheidsfinanciën staan er gunstig voor maar „de beschikbare budgettaire ruimte kan minder groot zijn dan gedacht.”

Koopkrachtontwikkeling voorbeeldhuishoudens (Bron: Ministerie SZW)

Wilt u zelf een berekening maken!
Doe de koopkrachtberekening hier onder verkregen van Nibud;