Maandelijks archief september 2019

door100% Salarisverwerking B.V.

Factsheet premiedifferentiatie WW

Hierin vindt u een kort overzicht van de wijzigingen in 2020 met een toelichting.

            

Rijksoverheid heeft een factsheet gepubliceerd met informatie over de premiedifferentiatie WW.

Met de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans wijzigt de premie voor de Werkloosheidswet per 1 januari 2020.

In de factsheet leest u wat er verandert in 2020 en wat dit voor de werkgever betekent.
U vindt ‘Factsheet premiedifferentiatie WW’ op rijksoverheid.nl.
 

Wat gaat er op 1 januari 2020 veranderen?

  • Premiedifferentiatie voor de WW-premie naar de aard van de arbeidsovereenkomst in plaats van sectorpremies.
  • Er komen twee premiepercentages voor de WW: een lage WW-premie en een hoge WW-premie.
  • Bij een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die niet een oproepovereenkomst is geldt de lage WW-premie.
  • Op de loonstrook vermeldt de werkgever welk type arbeidsovereenkomst de werknemer heeft.

 

Algemene inleiding

Werknemersverzekeringen verzekeren werknemers tegen het verlies van inkomen als gevolg van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid. Als werkgever betaalt u de premies werknemersverzekeringen over het loon van uw werknemers. Per 1 januari 2020 wijzigt de premie voor de Werkloosheidswet.
In deze factsheet wordt toegelicht wat er verandert ten opzichte van de huidige situatie en wat dit voor u als werkgever betekent.
 

WW-premies

De bestaande premiedifferentiatie in de WW per sector verdwijnt en daarvoor komt een premiedifferentiatie naar de aard van de arbeidsovereenkomst in de plaats. Vanaf 1 januari 2020 gelden twee WW-premies: een lage WW-premie voor bepaalde vaste arbeidsovereenkomsten en een hoge WW-premie voor flexibele arbeidsovereenkomsten. Het vaste verschil tussen de twee WW-premies is 5 procentpunt. De minister van SZW stelt de hoogte van de premies jaarlijks vast. Met deze maatregel wil de regering stimuleren dat werkgevers meer vaste arbeidsovereenkomsten met hun werknemers aangaan.
 

Hoofdregel

De hoofdregel is dat u de lage WW-premie betaalt als uw werknemer:

1. een schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft;
2. voor onbepaalde tijd; en
3. het geen oproepovereenkomst is. Er is sprake van een oproepovereenkomst als de omvang van de arbeid niet is vastgelegd in een aantal uren per tijdseenheid van maximaal een maand. Ook als de omvang van de arbeid niet is vastgelegd in een aantal uren per tijdvak van maximaal een jaar, waarbij het recht op loon gelijkmatig is verspreid over dat tijdvak is sprake van een oproepovereenkomst. Heeft u de loondoorbetalingsverplichting uitgesloten wanneer uw werknemer de overeengekomen arbeid niet verricht, dan is dit ook een oproepovereenkomst.

Voor werknemers die niet aan deze drie voorwaarden voldoen betaalt u de hoge WW-premie.

4. Bijzondere situaties
U betaalt altijd de lage WW-premie inde volgende situaties:

– Uw werknemer is jonger dan 21 jaar en u verloont maximaal 48 uur per aangiftetijdvak van 4 weken of 52 uur per aangiftetijdvak van een kalendermaand.
– U sluit met een leerling die de Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) volgt een praktijkovereenkomst en een arbeidsovereenkomst. U neemt de praktijkovereenkomst met een dagtekening op in uw administratie.
– U betaalt een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen (WW, ZW, WIA, WAO, WAZO) als werkgeversbetaling of als eigenrisicodrager.

 

Herzien

In sommige situaties heeft u de lage WW-premie betaald, terwijl dit achteraf toch de hoge WW-premie moet zijn. U bent zelf verantwoordelijk voor het herzien van de lage WW-premie in de hoge WW-premie met terugwerkende kracht.
 

Wanneer moet u de lage WW-premie herzien?

– U heeft een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met uw werknemer gesloten. Eindigt deze arbeidsovereenkomst uiterlijk twee maanden na aanvang van de dienstbetrekking dan moet u met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie betalen.
– U betaalt aan uw werknemer meer uren uit dan in zijn arbeidsovereenkomst is opgenomen. Is dit verschil meer dan 30% dan moet u alsnog de hoge WW-premie toepassen. Bijvoorbeeld: uw werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor 20 uur per week, maar u betaalt 30 uur per week uit.

 

Hoe herziet u de lage WW-premie in uw loonaangifte?

In uw loonaangifte geeft u voor uw werknemer aan of sprake is van de lage of de hoge WW-premie. Heeft u de lage WW-premie toegepast en moet dit achteraf bezien de hoge WW-premie zijn? Dan moet u dat wijzigen door een correctiebericht.

Voor meer informatie over hoe de herziening van de WW-premie in de loonaangifte wordt verwerkt zie het antwoord op vraag 1.14 in het Kennisdocument Premiedifferentiatie WW (https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-sociale-zaken-en-werkgelegenheid/documenten/publicaties/2019/09/09/kennisdocument-premiedifferentiatie-ww).
 

Informatie voor werknemers:

Algemene inleiding

Via de Werkloosheidswet (WW) zijn werknemers verzekerd tegen het verlies van inkomen als gevolg van werkloosheid. Uw werkgever betaalt hiervoor een WW-premie. Per 1 januari 2020 treedt een nieuwe systematiek in werking om de werkgeverspremies voor de WW te berekenen.
In deze factsheet wordt toegelicht wat er verandert ten opzichte van de huidige situatie en wat dit voor u als werknemer betekent.
 

WW-premies

Vanaf 1 januari 2020 gelden twee WW-premies: een lage WW-premie voor bepaalde vaste arbeidsovereenkomsten en een hoge WW-premie voor flexibele arbeidsovereenkomsten. Het vaste verschil tussen de twee WW-premies is 5 procentpunt. Met deze maatregel wil de regering stimuleren dat werkgevers meer vaste arbeidsovereenkomsten met hun werknemers aangaan.
 

Wat verandert er voor u als werknemer?

U merkt niets van de WW-premie die uw werkgever voor u betaalt. Wat wel voor u verandert, is dat uw werkgever vanaf 1 januari 2020 verplicht is om op uw loonstrook te vermelden wat voor soort arbeidsovereenkomst u heeft. Ook kunt u vanaf die datum in het digitaal verzekeringsbericht via ‘Mijn UWV’ op www.uwv.nl zien wat voor soort arbeidsovereenkomst u heeft.
 
 

Gerelateerde artikelen

Kennisdocument Premiedifferentiatie WW beschikbaar

De Wet tegemoetkomingen loondomein
Wijziging van de WW-premiesystematiek 2020

Wijzigingen voor de loonheffingen 2020
 
lonen 2020, salarissen 2020, personeelszaken 2020, premies 2020, kosten 2020, liv 2020, lkv 2020, wab 2020, belastingen 2020, loon, salaris, salarisverwerking, loonadministratie,

door100% Salarisverwerking B.V.

Afkoop pensioen in eigen beheer nog mogelijk in 2019

Bij afkoop geldt in 2019 een afkoopkorting van 19,5%.

                 

Tot en met 31 december 2019 kan een directeur-grootaandeelhouder (dga) nog kiezen om zijn pensioen in eigen beheer voordelig af te kopen of om te zetten in een oudedagsverplichting.

 

pensioenregeling , pensioen, pensioenfonds, pensioenaanbieder , nabestaandenpensioen, pensioenpotje, aow, oudedag voorziening, sparen voor later,

Koopt de dga uiterlijk 31 december 2019 zijn pensioen af, dan moet u de volledige fiscale balanswaarde ineens belasten als loon uit vroegere dienstbetrekking. Bij afkoop in 2019 geldt een korting op de afkoopsom van 19,5% van de fiscale balanswaarde van het pensioen op 31 december 2015. Over de waardeaangroei na 31 december 2015 geldt geen korting.
 
De fiscale balanswaarde minus de korting belast u ineens op het moment van afkoop als loon uit vroegere dienstbetrekking.
 
lonen 2020, salarissen 2020, personeelszaken 2020, premies 2020, kosten 2020, liv 2020, lkv 2020, wab 2020, belastingen 2020, loon, salaris, salarisverwerking, loonadministratie,

Afkopen of omzetten?

Vul het informatieformulier in.

Kiest een dga voor afkoop of omzetten in een oudedagsverplichting? Dan moet hij de Belastingdienst daarover binnen een maand na de afkoop of omzetting informeren. Dat doet hij met het Informatieformulier.
 
Heeft de dga een partner? Of een ex-partner die recht heeft op het pensioen? Dan heeft hij schriftelijke toestemming nodig van deze (ex-)partner. Ook daarvoor gebruikt hij het informatieformulier.
 
In de handreiking Afschaffen van pensioen in eigen beheer: wat moet een dga doen? leest u meer praktische informatie over afkoop of omzetting van het pensioen.
 
 

Let op!

Als de dga zijn pensioen in eigen beheer afkoopt na 31 december 2019, moet u de volledige pensioenaanspraak aanmerken als loon uit vroegere dienstbetrekking en belasten tegen de waarde in het economische verkeer. Ook is de dga hierover revisierente verschuldigd in de inkomstenbelasting. Dit geldt ook voor de omzetting in een oudedagsvoorziening.

 
 

Meer informatie

Belastingdienst.nl
Centraalaanspreekpuntpensioenen.belastingdienst.nl

Wetsartikelen

Artikel 38n tot en met 38q Wet loonbelasting

 

 

belastingdienst, belastingen, overheid, rijksoverheid, belastingzaken, loonbelasting, loonkosten, loon regelingen, Nederlandse belasting, financiën, geldzaken

door100% Salarisverwerking B.V.

Wijzigingen voor de loonheffingen 2020

De voorstellen hebben de bedoeling in te gang op 1 januari

                

We gaan in op de belangrijkste voorgestelde wijzigingen voor de loonheffingen die op Prinsjesdag, 17 september 2019 zijn ingediend bij de Tweede Kamer, tevens belichten we al aangenomen wijzigingen voor 2020.

 
derde dinsdag van september, prinsjesdag, overheid, belastingen, besluiten den haag, regeringsbesluiten, regeringsbeleid,

1. Belastingtarieven en heffingskortingen uit het Belastingplan 2020

Het tweeschijvenstelsel wordt versneld ingevoerd. De wijziging die voor 1 januari 2021 was beoogd, wordt nu per 1 januari 2020 gerealiseerd. Het toptarief bedraagt in 2019 51,75% en wordt met ingang van 1 januari 2020 verlaagd naar 49,50%.

De tarieven voor werknemers geboren op of na 1 januari 1946 zullen op 1 januari 2020 als volgt zijn:

Bij een belastbaar loon van meer dan Maar niet meer dan Belastingtarief Premies volksverzekeringen Gecombineerd tarief
€ 34.712 9,70% 27,65% 37,35%
€ 34.712 € 68.507 37,35% 37,35%
€ 68.507 49,50% 49,50%

 

De algemene heffingskorting

De maximale algemene heffingskorting wordt ten opzichte van 2019 met € 194 verhoogd. Rekening houdend met de indexering is de maximale algemene heffingskorting per 1 januari 2020 dan € 2.711. De hoogte van de algemene heffingskorting is afhankelijk van het inkomen. Hoe hoger het inkomen, hoe lager de algemene heffingskorting. Bij een inkomen van € 68.507 en hoger is de algemene heffingskorting nihil.
 

De arbeidskorting

De maximale arbeidskorting per 1 januari 2020 is € 3.819. De hoogte van de arbeidskorting is afhankelijk van het inkomen. Tot een arbeidsinkomen van € 34.989 loopt de arbeidskorting op naarmate het inkomen hoger is. Vanaf een arbeidsinkomen van € 34.989 bouwt de arbeidskorting af. Bij een arbeidsinkomen van € 98.639 en hoger is de arbeidskorting nihil.
 

Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet

De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd door de werkgever zal met ingang van 1 januari 2020 worden verlaagd van 6,95% naar 6,70%. Het maximale premie-inkomen voor de Zorgverzekeringswet bedraagt per 1 januari 2020 € 57.214.
 

2. Aangekondigde wijzigingen pakket Belastingplan 2020

Aanpassingen werkkostenregeling

De werkkostenregeling (WKR) is een regeling in de loonbelasting voor de behandeling van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die door de werkgever aan de werknemer worden gedaan in het kader van de dienstbetrekking.

De WKR zal op vijf punten wijzigen:

1. Vergroten vrije ruimte

Op dit moment is de vrije ruimte 1,2% van de fiscale loonsom (kolom 14-loon) van een werkgever. Het percentage van de vrije ruimte in de WKR gaat omhoog naar 1,7% voor de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom plus 1,2% van het restant van de fiscale loonsom. Als de concernregeling wordt toegepast, kan niet voor elke inhoudingsplichtige gebruik worden gemaakt van het verhoogde percentage van 1,7%. De vrije ruimte wordt in dat geval namelijk berekend op basis van de fiscale loonsom van alle concernvennootschappen samen en dan geldt het percentage van 1,7% slechts over de eerste € 400.000.

2. Gerichte vrijstelling voor verklaring omtrent gedrag

Er komt een gerichte vrijstelling voor de kosten van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) of een daarmee vergelijkbare buitenlandse verklaring.

3. Meer tijd voor eindafrekening

Werkgevers krijgen meer tijd om de verschuldigde eindheffing in verband met overschrijding van de vrije ruimte vast te stellen, aan te geven en af te dragen. Op dit moment moet de zogenoemde eindafrekening uiterlijk worden gedaan met de aangifte loonheffingen over het eerste tijdvak van het volgende kalenderjaar. Het wordt mogelijk om de eindafrekening uiterlijk te doen met de aangifte loonheffingen over het tweede tijdvak van het volgende kalenderjaar. Voor de werkgevers die een maandaangifte doen betekent deze verlenging dat de eindheffing kan worden meegenomen bij de aangifte over februari, die in maart moet worden gedaan en betaald.

4. Waardering producten eigen bedrijf

Als hoofdregel geldt dat loon in natura wordt gewaardeerd op de factuurwaarde inclusief btw. Als de factuur ontbreekt, is de waarde economisch verkeer doorslaggevend. In het geval van verstrekkingen van branche-eigen producten van de werkgever of een daarmee verbonden vennootschap geldt een uitzondering. Het branche-eigen product wordt nu nog gewaardeerd op het bedrag dat aan een derde in rekening zou worden gebracht. Dit wordt aangepast. Het branche-eigen product wordt voortaan gewaardeerd op de waarde economisch verkeer. Meestal is dit de consumentenprijs.

5. Bestuursrechtelijke dwangsommen en geldsommen in het kader van strafbeschikkingen

Geldboeten die de werkgever voor zijn werknemer betaalt of vergoedt, kunnen op basis van de wet in beginsel niet worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel en moeten dus worden belast op de salarisstrook. Dit gaat ook gelden voor bestuurlijke (buitenlandse) dwangsommen en geldsommen in het kader van strafbeschikkingen of daarmee vergelijkbare buitenlandse wijze van bestraffing.
 

Indexering onbelaste vrijwilligersvergoeding/verstrekking

Over vergoedingen en verstrekkingen van in totaal maximaal € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar die worden ontvangen door personen die als vrijwilliger werkzaam zijn, worden geen loonheffingen ingehouden en afgedragen. De genoemde bedragen worden vanaf 1 januari 2020 jaarlijks geïndexeerd. De indexatie wordt voor het jaarbedrag afgerond op een veelvoud van € 100. Door de afronding zullen de bedragen niet elk jaar stijgen. Het maandbedrag wordt vervolgens berekend door het jaarbedrag door tien te delen.
 

Keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer

Er wordt een keuzeregeling ingevoerd op grond waarvan kan worden gekozen om berichten van de Belastingdienst elektronisch of per post toegezonden te krijgen. Het keuzerecht kan feitelijk pas worden ingevoerd op het moment dat de Belastingdienst een keuzeregistratie- en verwerkingsvoorziening operationeel heeft en voldoende berichtenstromen zijn gedigitaliseerd. De inwerkingtreding zal per Koninklijk Besluit plaatsvinden.
 

S&O-afdrachtvermindering

Uit de evaluatie Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk is naar voren gekomen dat de huidige systematiek van de aanvraag S&O-verklaring onvoldoende aansluit bij de manier van werken van de gebruikers. Naar aanleiding van de evaluatie is voorgesteld om het aantal momenten waarop de S&O-verklaring kan worden aangevraagd uit te breiden van drie naar vier per jaar.

Nu dient de aanvraag ten minste een maand voorafgaand aan de periode te worden aangevraagd. Op basis van het wetsvoorstel wordt het uiterste moment van het indienen van een aanvraag gesteld op de dag voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. Voor aanvragen voor een periode die ingaat op 1 januari van een kalenderjaar wordt voorgesteld de uiterste indieningsdatum te stellen op 20 december van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Tot slot worden in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen regels opgenomen op grond waarvan in bepaalde gevallen de termijnoverschrijding voor indiening van een S&O-verklaring verschoonbaar is. Dit is een codificering van de uitvoeringspraktijk.
 

Vaste inrichting definitie Wet op de loonbelasting

Als een in het buitenland gevestigde werkgever een vaste inrichting in Nederland heeft, wordt deze buitenlandse werkgever aangemerkt als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting. Voor de invulling van de definitie van de begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ in de loonbelasting wordt aangesloten bij de vennootschapsbelasting. Voor meer informatie verwijzen wij naar het onderdeel ‘Aanpassing definitie vaste inrichting in vervolg op het Multilateraal instrument tegen internationale belastingontwijking’ bij de maatregelen in de vennootschapsbelasting.

In de loonbelasting kennen we ook nog een fictieve vaste inrichting. Vooralsnog blijft de definitie daarvan ongewijzigd.

Tevens wordt voor de definitie van het Noordzeewinningsgebied voor de loonbelasting aangesloten bij de definitie in de vennootschapsbelasting.
 

Verhoging bijtelling privégebruik elektrische auto van de zaak

De bijtelling voor het privégebruik van de elektrische auto van de zaak is 4% van de cataloguswaarde tot € 50.000. Als de cataloguswaarde hoger is dan € 50.000, dan geldt over het meerdere een bijtellingspercentage van 22%. Als onderdeel van het op 28 juni 2019 door het kabinet overeengekomen Klimaatakkoord wordt de verlaagde bijtelling van 4% voor elektrische auto’s van de zaak (auto’s zonder CO2-uitstoot) vanaf 2020 als volgt verhoogd voor auto’s die in de betreffende jaren worden toegelaten op de weg voor een periode van maximaal zestig maanden:

Jaar Bijtelling Maximale catalogus waarde Bijtelling boven maximum cataloguswaarde
2020 8% € 45.000 22%
2021 12% € 40.000 22%
2022 16% € 40.000 22%
2023 16% € 40.000 22%
2024 16% € 40.000 22%
2025 17% € 40.000 22%

Vanaf 2026 geldt voor een elektrische auto van de zaak dezelfde bijtelling als voor een gewone auto van de zaak.

Voor waterstofauto’s zal de cap op de cataloguswaarde niet gelden. Met ingang van 1 januari 2021 wordt dit ook uitgebreid naar zonnecelauto’s.
 

3. Eerder aangenomen wijzigingen met inwerkingtreding 1 januari 2020

Fiscale bijtelling terbeschikkingstelling fiets van de zaak

De regeling voor het (mede) voor privédoeleinden ter beschikking stellen van een fiets van de zaak wordt met ingang van 1 januari 2020 vereenvoudigd. Nu moet nog per geval worden bepaald wat het werkelijke voordeel van het privégebruik van de fiets is. Door werkgevers wordt dit als administratief omslachtig ervaren. Daarom gaat vanaf 2020 voor het privégebruik van de ter beschikking gestelde fiets een vaste bijtelling gelden, zoals we deze ook kennen voor de auto van de zaak. Voor de ter beschikking gestelde fiets wordt de bijtelling 7% van de waarde van de fiets. Deze laatste waarde wordt gesteld op de in Nederland door de fabrikant of importeur publiekelijk kenbaar gemaakte consumentenadviesprijs van de fiets. Als voor de fiets geen consumentenadviesprijs beschikbaar is, wordt aangesloten bij de consumentenadviesprijs van de meest vergelijkbare fiets. In het geval de werknemer een vergoeding verschuldigd is voor het privégebruik van de fiets mag deze in aftrek worden gebracht op de bijtelling, maar de bijtelling kan niet negatief worden.

Er bestaat geen wettelijke definitie van het begrip ‘fiets’. De wetgever heeft bepaald dat een speedpedelec tevens wordt aangemerkt als fiets indien deze mede door menselijke spierkracht wordt aangedreven en is uitgerust met een elektromotor (juridisch is het namelijk een bromfiets).

Dat een fiets (mede) voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, moet in beginsel door de inspecteur aannemelijk worden gemaakt. Met het oog op de eenvoud, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid wordt een fiets echter in ieder geval geacht voor privédoeleinden ter beschikking te staan als de fiets ook voor woon-werkverkeer ter beschikking staat.
 

Wijziging sectorindeling

Op 28 mei 2019 is de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) aangenomen. Dit betekent dat per 1 januari 2020 de sectorale differentiatie in de WW-premiestelling wordt vervangen door differentiatie naar aard van het contract. Bij vaste contracten geldt de lage premie en bij flexibele contracten geldt de hoge premie. De sectorale differentiatie blijft vooralsnog wel gelden voor de ZW- en WGA-premie.

Minder snelle stijging AOW-leeftijd

De AOW-leeftijd stijgt minder snel. Dit betekent dat de AOW-leeftijd zich de komende jaren als volgt ontwikkelt:

Jaar AOW-leeftijd Betreft personen geboren
2020 66 jaar en 4 maanden na 31 augustus 1953 en voor 1 september 1954
2021 66 jaar en 4 maanden na 31 augustus 1954 en voor 1 september 1955
2022 66 jaar en 7 maanden na 31 augustus 1955 en voor 1 juni 1956
2023 66 jaar en 10 maanden na 31 mei 1956 en voor 1 maart 1957
2024 67 jaar na 28 februari 1957 en voor 1 januari 1958

Vanaf 2025 is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting.

 

Korting op lage-inkomensvoordeel (LIV)

Met ingang van 1 januari 2020 wordt het jeugd-LIV gehalveerd. Daarnaast wordt met ingang van 1 januari 2020 het hoge tarief van het LIV gehalveerd van maximaal € 2.000 naar maximaal € 1.000 per jaar. Vanaf 2024 wordt het jeugd-LIV afgeschaft.
 

Vervanging Wet DBA en verscherpte handhaving per 1 januari 2020

De afschaffing van de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) en de (ingevoerde, maar deels niet gehandhaafde) Wet DBA en de zoektocht naar een opvolger van de Wet DBA duren voort. Inmiddels zijn contouren geschetst van de beoogde opvolger van de Wet DBA. Tevens is meer bekend over de handhaving van de Wet DBA door de Belastingdienst. Het handhavingsmoratorium wordt verlengd tot 2021 (maar wordt wel aangescherpt vanaf 2020).
 

Opvolger van de Wet DBA

  • Minimumtarief voor zzp’ers

Het plan is om voor alle zzp’ers een minimumtarief van € 16 per uur (prijspeil 2019) in te voeren, om ervoor te zorgen dat alle zzp’ers genoeg verdienen om in hun noodzakelijke levensbehoeftes te kunnen voorzien. Dit is een alternatief voor de eerder beoogde verplichte arbeidsovereenkomst voor zzp’ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Deze verplichting geldt ook voor particuliere opdrachtgevers. Voor hen is de verantwoordelijkheid echter lichter (de bewijslast ligt bij de opdrachtnemer) dan voor zakelijke opdrachtgevers.

  • Opt-out door zelfstandigenverklaring

Voor zzp’ers aan de bovenkant van de arbeidsmarkt is het plan om een ‘zelfstandigenverklaring’ in te voeren. Opdrachtgevers worden dan gevrijwaard van bepaalde risico’s als de betrokkene later toch als ‘werknemer’ wordt gekwalificeerd. De vrijwaring geldt niet alleen voor de loonheffing en premies voor de werknemersverzekeringen, maar ook voor de loondoorbetalingsplicht bij ziekte, de betaling van pensioenpremies en cao-verplichtingen. Voor gebruik van de zelfstandigenverklaring moet in de overeenkomst van opdracht worden opgenomen dat partijen de bedoeling hebben geen arbeidsovereenkomst te sluiten. Verder moet de arbeidsbeloning minimaal € 75 per uur (prijspeil 2019) bedragen en dient de overeenkomst te worden aangegaan voor maximaal één jaar. Ook moet de opdrachtnemer ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel.

  • Opdrachtgeversverklaring en webmodule

Voor alle zzp’ers zonder een zelfstandigenverklaring blijft nog steeds de vraag van belang of de betrokkene écht een zzp’er is of toch een werknemer. Voor deze groep wordt gewerkt aan een webmodule. Deze maakt het voor opdrachtgevers mogelijk om een opdrachtgeversverklaring te krijgen als uit de beantwoording van de vragen blijkt dat geen sprake is van een dienstbetrekking. Op dit moment bevindt de webmodule zich in de testfase. De opdrachtgeversverklaring is geldig voor zover de webmodule naar waarheid is ingevuld en in de praktijk dienovereenkomstig wordt gewerkt.

 

Verscherpte handhaving vanaf 1 januari 2020

Het huidige handhavingsmoratorium (in het kort: alleen handhaving als sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking en van opzettelijke en evidente schijnzelfstandigheid) wordt verlengd tot 1 januari 2021. Vanaf 1 januari 2020 wordt de handhaving aangescherpt. Vanaf deze datum kan de Belastingdienst ook handhaven wanneer opdrachtgevers aanwijzingen van de Belastingdienst niet (of in onvoldoende mate) binnen een redelijke termijn opvolgen.

De wet treedt in werking in 2021.

 
 
overheid, regering, bestuur den haag, volksvertegenwoordiging,

door100% Salarisverwerking B.V.

Ontslagvergoeding niet voor immateriële schade

Het gerechtshof oordeelt dat een ontslagvergoeding geen onbelaste vergoeding is voor geleden immateriële schade.
          
De volledige vergoeding houdt voldoende verband met de dienstbetrekking en is daarom belast loon.

 

burn out, burnout, burn-out, zieke werknemer door stress, werknemers phygisch ziek, geestelijk ziek, mentaal kapot, emotioneel fysiek ziek van stress werk,

Een docent bij een hogeschool besluit na zijn tweede burn-out om gebruik te maken van een afvloeiingsregeling. Hij gaat niet akkoord met de voorgestelde ontslagvergoeding van €53.662.

 

De docent is van mening dat hij recht heeft op een hogere vergoeding. Hij heeft financiële schade geleden doordat de hogeschool hem niet heeft ingedeeld in een beloofde hogere schaal. Daarnaast wijst de docent op de door hem geleden emotionele en psychische schade in een periode waarin hij een slechte verstandhouding had met zijn directe leidinggevende.

 

De hogeschool verdubbelt de ontslagvergoeding zodat de werknemer een volledige compensatie van het pensioengat ontvangt.

 

Volgens het hof heeft de docent niet aannemelijk gemaakt dat een deel van de beëindigingsvergoeding betrekking heeft op een onbelaste vergoeding voor geleden immateriële schade. De volledige ontslagvergoeding is belast loon.

 

Uitspraak gerechtshof: ECLI:NL:GHARL:2019:6653

 

 

financiën, geldzaken, personeelszaken, personeelsdiensten, kosten medewerkers, vergoedingen medewerkers,

door100% Salarisverwerking B.V.

Werknemer wil bij financiële problemen terecht kunnen bij de werkgever

13% van de werknemers heeft op dit moment zorgen of vragen over geld.

              
78% van de werknemers wil wanneer zich een situatie voordoet met mogelijk financiële gevolgen, terecht kunnen bij de werkgever. Met name wanneer het gaat over minder werken, vervroegd/deeltijd pensioen of minder inkomen door ziekte of arbeidsongeschiktheid. Toch is de helft van de werknemers zich op dit moment niet bewust of hun werkgever hier hulp bij aanbiedt. Dit blijkt uit het onderzoek van Wijzer in geldzaken, uitgevoerd onder een representatieve groep van ruim 600 Nederlanders van 18 jaar en ouder, werkend in loondienst.
 
minimumjeugdloon. minimumloon, berekening salaris, berekenen loon, wet en regelgeving, overheid, belastingen, jeugd-LIV, LIV, Wet tegemoetkomingen loondomein,
 

Geldzorgen bij werknemers

Uit eerder onderzoek (Personeel met schulden, Nibud 2017) bleek dat 62% van de werkgevers personeel met geldzorgen heeft; loonbeslagen kwamen bij bijna de helft van de werkgevers voor. Plotselinge veranderingen in iemands leven, zoals echtscheiding, ziekte, ontslag of overlijden van de partner, zijn vaak een oorzaak van geldzorgen. Deze gebeurtenissen vormen veelal een bron voor stress, concentratieverlies en ook verzuim op het werk. 13% van de ondervraagden heeft op dit moment zorgen of vragen over geld.
 

Hulp werkgever gevraagd bij financiële gevolgen minder/meer werken

78% van de werknemers zou willen dat hun werkgever met hen meedenkt. Zij wensen van hun werkgever vooral hulp bij de mogelijkheid om tijdelijk meer of minder te werken (51%), gevolgd door berekeningen van financiële gevolgen voor het inkomen of voor het pensioen. Bijna de helft (47%) van de werknemers die met de werkgever na willen denken over de financiële gevolgen van minder werken, wil meer vrije tijd voor zichzelf. Daarnaast worden ook redenen als leeftijd (39%), meer tijd voor andere activiteiten (36%), zorg voor de kinderen (34%) en gezondheid (33%) vaak genoemd.
 

Rol van de werkgever bij financiële fitheid

Bijna twee derde (64%) vindt dat een goede werkgever hulp zou moeten bieden aan werknemers met geldzorgen. Ruim de helft (55%) van de werknemers vindt het prettig als zij terecht kunnen bij hun werkgever met vragen over de eigen financiële situatie en een even groot deel vindt dat een goede werkgever medewerkers helpt om financieel fit te zijn. Het loont voor werkgevers om met de financiële fitheid van medewerkers aan de slag te gaan: dit scheelt in ziekteverzuim en verhoogt de productiviteit.
 

Nieuwe koers Wijzer in geldzaken: Samen werken aan financiële fitheid van Nederlanders

In mei 2019 presenteerde Wijzer in geldzaken een nieuwe koers. In het platform Wijzer in geldzaken wordt door diverse organisaties samengewerkt aan vele initiatieven om Nederland financieel fitter te maken. Daar past dit initiatief naadloos in. De komende jaren gaan de Wijzer in geldzaken partners samen zorgen dat mensen financieel zijn voorbereid op de toekomst, met extra aandacht voor kwetsbare groepen, zoals mensen met wisselende inkomsten, tijdelijke arbeidscontracten en laaggeletterden. Daarnaast blijven de partners zich onder meer inzetten voor structurele aandacht voor financiële vaardigheden op school.
 

Over het onderzoek

Bekijk hier de onderzoeksresultaten van het Onderzoek financieel fitte werknemers 2019 uitgevoerd door SAMR in opdracht van Wijzer in geldzaken. Het onderzoek is uitgevoerd van 26 juli tot en met 9 augustus 2019 onder een representatieve steekproef van Nederlanders van 18 jaar en ouder werkend in loondienst. De resultaten zijn representatief op basis van leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, aantal personen in het huishouden en Nielsen MOA-regio. Dit onderzoek en andere onderzoeken zijn ook te vinden in de digitale bibliotheek van Wijzer in geldzaken.
 

Over Financieel fitte werknemers

Financieel fitte werknemers is een initiatief van Wijzer in geldzaken, het Nibud, het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Divosa (vereniging van leidinggevenden in het sociaal domein) en de NVVK (brancheorganisatie voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren). Deze partners bundelen hun krachten om werkgevers te stimuleren om financiële fitheid bij hun werknemers te bevorderen.
 
 
Bron:Wijzer in geldzaken, Nibud
 
 
personeelszaken, personeelsdiensten,financiën, geldzaken, personeelszaken, personeelsdiensten, kosten medewerkers, vergoedingen medewerkers, loonadministratie, salarisverwerking,